ECLI:NL:GHDHA:2017:3304 (Aansprakelijkheid voor dieren)

Aansprakelijkheid voor dieren, Hof Den Haag 28 november 2017
(ECLI:NL:GHDHA:2017:3304)

Essentie
Deze zaak gaat over een kat die de weg oversteekt en in botsing komt met een fietser. De fietser komt ten val en breekt onder meer een borstwervel en enkele rugwervels. De eiser stelde in eerste aanleg twee personen aansprakelijk van wie hij vond dat zij konden worden aangemerkt als de eigenaren van het dier. De rechtbank Rotterdam was het hier niet mee eens en veegde het betoog van de eiser van tafel. Hierop ging appellant in hoger beroep en voerde een drietal grieven aan. Ook in hoger beroep werd de vordering van appellant afgewezen en kregen de geïntimeerden gelijk.

Rechtsregel
Het hof moest in casu een aantal vragen beantwoorden. Ten eerste werd vastgesteld dat krachtens art. 6:179 BW de bezitter van het dier aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade. Echter, partijen zijn het erover eens dat het dier in het wild is geboren en enige tijd in het wild heeft geleefd. Art. 6:179 BW is daarom niet van toepassing op de in het wild levende dieren. Daarvan kan immers geen bezitter worden aangewezen.

Om de geïntimeerden aan te merken als bezitter, moeten zij de kat op enig moment in bezit hebben genomen door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen, aldus art. 3:113 BW. Deze machtsuitoefening moet op grond van de verkeersopvatting en op basis van uiterlijke feiten als bezit kunnen worden gekwalificeerd, aldus art. 3:108 BW.

Om aan het bovenstaande te voldoen, moet er sprake zijn van meer dan enkel het zich aantrekken van het lot van de zwerfkat. Er moet sprake zijn van duurzame verzorging in de vorm van bijvoorbeeld bezoeken aan de dierenarts, ontvlooien, etc. maar ook van feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de zwerfkat deel is gaan uitmaken van het huishouden.

In casu is van het bovenstaande geen sprake, dus de geïntimeerden kunnen niet worden aangemerkt als bezitter van de kat in kwestie.

Inhoud arrest
In de omgeving van het huis van geïntimeerden wordt rond 2006 een nest gevonden met vier zwerfkatten. Op een gegeven moment worden deze katten door de gemeente gevangen, gesteriliseerd en weer uitgezet. De jongste dochter van geïntimeerden komt in contact met twee van de vier katten en geeft ze een naam. Nadat de dochter een van de twee katten redt nadat deze in de sloot valt, wordt de band tussen de dochter en de kat hechter. Zowel geïntimeerden als de dochter plaatsen diverse malen foto’s van deze kat op hun eigen sociale mediakanalen. De dochter plaatst onder meer een foto van de kat op Twitter met daarbij een hartje.

Op 26 mei 2015 fietst appellant door de straat van geïntimeerden en komt ter hoogte van hun woning in botsing met de betreffende kat. Appellant valt van zijn fiets en loopt letsel op. De kat wordt naar de dierenarts gebracht waar de arts de kat laat inslapen. Appellant stelt de geïntimeerden aansprakelijk voor de door hem geleden schade, maar geïntimeerden stellen dat zij niet aansprakelijk zijn omdat zij niet als bezitter van de kat kunnen worden aangemerkt.

Partijen worden het niet eens over wie de bezitter is van de kat. Omdat appellant stelt dat de geïntimeerden als bezitter moeten worden aangemerkt, ligt de bewijslast bij hem (art. 150 Rv). Ter onderbouwing van zijn stelling voert appellant onder meer aan dat de kat voor het ongeval naar het huis van de geïntimeerden rende en dat na het ongeval geïntimeerde 2 als eerste naar buiten kwam rennen. De geïntimeerde bekommerde zich niet om appellant die kermend van de pijn op straat lag, maar pakte meteen de kat op en droeg het dier naar binnen, haar eigen huis in. De dochter van geïntimeerden kwam daarna naar buiten en werd boos op appellant omdat hij haar kat zou hebben aangereden. Het was tevens geïntimeerde 1 die de kosten van de dierenarts voor zijn rekening nam en besloot om de kat verder te laten onderzoeken. Volgens appellant zijn het deze feiten en meer die maken dat de geïntimeerden moeten worden aangemerkt als bezitter van de kat, zodat zij aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de door appellant geleden schade.

Ondanks dat appellant concrete feiten naar voren heeft gebracht, kan niet worden geconcludeerd dat de geïntimeerden de kat duurzaam verzorgden en dat zij daarmee op een gegeven moment bezit hebben genomen van de kat door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen. De geïntimeerden beamen dit en geven aan dat er nooit sprake is geweest van een duurzame verzorging. Ze hebben de kat tot aan het ongeval nooit naar de dierenarts gebracht, de kat is niet dagelijks gevoerd, ze hebben geen kattenluik aangebracht en ook hebben zij geen voorzieningen getroffen voor de kat terwijl ze zelf op vakantie gingen.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en ziet geen aanleiding om geïntimeerden aan te merken als bezitter van de kat. De feiten en omstandigheden die zijn aangedragen door appellant kunnen niet leiden tot een ander oordeel.