ECLI:NL:GHARN:2003:AF5233 (Rabobank/Aarding)

Hof Arnhem van 18 februari 2003
(ECLI:NL:GHARN:2003:AF5233)

Essentie
In deze uitspraak wordt de maatstaf gegeven voor rechtsgeldige beëindiging van een kredietovereenkomst door een bank.

Rechtsregel
Op een bank rust een bijzondere zorgplicht uit hoofde van haar maatschappelijke functie. De reikwijdte van deze bijzondere zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Voor een kredietopzegging impliceert dit dat de opzegging ten minste zal moeten voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarbij dient in het bijzonder gelet te worden op de duur, de omvang en het verloop van de kredietrelatie, een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toename van het bancaire kredietrisico, het gedrag en de betrouwbaarheid van de kredietnemer en in welke mate de kredietnemer toerekenbaar is tekortgeschoten. Tevens worden de eigen gedragingen van de bank en de manier waarop tot opzegging wordt besloten, relevant geacht.

Inhoud arrest
In deze zaak was sprake van een kredietovereenkomst tussen de Rabobank en kredietnemer Aarding, waarin een contractuele beëindigingsmogelijkheid was opgenomen in de algemene voorwaarden. In deze regeling was bepaald dat de Rabobank te allen tijde gerechtigd was om de kredietovereenkomst op te zeggen. Wel gold daarbij een opzegtermijn van minstens drie maanden. Vervolgens heeft de Rabobank de kredietovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd. Aarding is hiertegen in verzet gekomen en wijst erop dat de opzegtermijn van drie maanden niet in acht is genomen door de Rabobank en acht bovendien de opzegging in zijn geheel in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De rechtsvraag die hieruit naar voren komt is of de kredietovereenkomst rechtsgeldig door de Rabobank is opgezegd?

Het Hof Arnhem heeft geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat het recht van kredietopzegging, ook indien dit contractueel is vastgelegd, alleen kan worden uitgeoefend indien voor de opzegging van dat krediet een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Volgens het hof rustte er in dit geval een bijzondere zorgplicht op de Rabobank uit hoofde van haar maatschappelijke functie waaraan zij diende te voldoen, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van deze bijzondere zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Voor een kredietopzegging impliceert dit dat de opzegging ten minste zal moeten voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het hof heeft een aantal, niet-limitatieve, factoren geformuleerd, aan de hand waarvan de rechtsgeldigheid van de kredietopzegging getoetst dient te worden. Omstandigheden die een rol kunnen spelen zijn: de duur, de omvang en het verloop van de kredietrelatie, een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toename van het bancaire kredietrisico, het gedrag en de betrouwbaarheid van de kredietnemer en in welke mate de kredietnemer toerekenbaar is tekortgeschoten. Tevens worden de eigen gedragingen van de bank en de manier waarop tot opzegging wordt besloten, relevant geacht.

Deze uitspraak is in de literatuur echter ook bekritiseerd, waardoor deze maatstaf niet altijd wordt toegepast in de rechtspraak. Zie in dit verband ook HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929 (ING/ De Keijzer Beheer).