ECLI:NL:GHARL:2020:4080 (Hulpverleningsrelatie binnen de kerk)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 mei 2020, Hulpverleningsrelatie binnen de kerk
(ECLI:NL:GHARL:2020:4080)

Essentie

De verdachte wordt er primair van beschuldigd dat hij ontucht heeft gepleegd met het slachtoffer, terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg en het slachtoffer als cliënt aan zijn zorg was toevertrouwd. Subsidiair wordt hij ervan beschuldigd dat hij ontucht heeft gepleegd met het slachtoffer, terwijl zij in staat van bewusteloosheid of onmacht verkeerde of vanwege haar psychische toestand niet of onvolledig in staat was haar wil daarover te bepalen, te uiten of daartegen weerstand te bieden. In eerste aanleg is de verdachte veroordeeld voor het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk.

Het hof heeft verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Naar het oordeel van het hof was – ten tijde van de seksuele handelingen – geen sprake van een hulpverleningsrelatie (binnen de kerk). Bovendien is niet gebleken dat aangeefster door haar psychische stoornis niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken of weerstand te bieden tegen de seksuele handelingen.

Rechtsregel

Aan de orde is de juridische vraag of de feiten en omstandigheden waaronder de seksuele handelingen tussen verdachte en aangeefster hebben plaatsgevonden, maken dat verdachte zich – op de wijze zoals ten laste gelegd – strafbaar heeft gedragen.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde overweegt het hof dat verdachte aangeefster een toevluchtsoord en een luisterend oor bood, gesprekken met haar voerde en haar gezelschap hield. Dat is voor de invulling van het begrip ‘werkzaam in de maatschappelijke zorg’ en voor de vereiste (feitelijke) hulpverleningsrelatie als bedoeld in artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht niet toereikend. Ook het feit dat aangeefster zich – zoals uit de inhoud van het dossier kan worden afgeleid – afhankelijk van verdachte opstelde, maakt niet dat daarmee gesproken kan worden van een hulpverleningsrelatie als hier bedoeld.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde geldt dat het voor een veroordeling ter zake van artikel 243 of 247 van het Wetboek van Strafrecht vereist is dat vast komt te staan dat het slachtoffer leed aan een psychische stoornis en dat hij of zij daardoor niet of onvolkomen in staat was zijn of haar wil ten aanzien van de gepleegde seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Voorts moet het opzet van de dader gericht zijn op die geestestoestand met het daaruit voortvloeiende gebrek omtrent – kort gezegd – de wilsbepaling van het slachtoffer.

Aangeefster leed aan een psychische stoornis met de daarbij komende problematiek. Verdachte was hier ook van op de hoogte. Zo heeft hij meerdere malen met haar een arts bezocht en heeft hij zich verdiept in haar problematiek. Dat aangeefster echter door haar psychische stoornis niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, valt naar het oordeel van het hof niet uit het dossier af te leiden. Nu daaruit ook niet blijkt dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden op een moment waarop aangeefster dissocieerde en ook niet is gebleken dat verdachte opzet had op het plegen van seksuele handelingen met aangeefster, juist omdat zij psychische problemen had, dient verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Inhoud arrest

Het hof stelt voorop dat – zoals ook door de verdachte niet is ontkend – de ten laste gelegde seksuele handelingen zoals bewezen verklaard door de rechtbank tussen de verdachte en aangeefster hebben plaatsgevonden. Buiten discussie staat voorts dat aangeefster ten tijde van de ten laste gelegde handelingen een nog relatief jong en zeer kwetsbaar meisje was, met een complexe persoonlijkheidsproblematiek. Bij haar is een borderline persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Verder leed zij aan anorexia nervosa, was er sprake van automutilatie en suïcidaliteit alsmede dissociaties.

Vast staat ook dat aangeefster een vaderfiguur zocht en die vond in de persoon van verdachte en dat er een groot leeftijdsverschil bestond tussen (de getrouwde) verdachte en aangeefster. Ondanks het feit dat verdachte meerdere malen en door verschillende personen in zijn omgeving indringend is verzocht de omgang met aangeefster te stoppen, heeft verdachte (telkens) opnieuw contact gezocht of is hij ingegaan op contactverzoeken van de zijde van aangeefster, wetende van haar kwetsbaarheid en problematiek. Hij heeft verklaard verblind te zijn geweest door verliefdheid. In zijn optiek was er sprake van een relatie.

Verdachte heeft in de periode van 24 januari 2010 tot en met 29 juni 2014 het ambt van (wijk)ouderling bekleed. Verdachte heeft in die hoedanigheid het gezin van aangeefster leren kennen en ook in die hoedanigheid hulp en steun geboden ten tijde van het overlijden van de stiefvader van aangeefster in februari 2013. Naar het oordeel van het hof kan hiermee niet gezegd worden dat ten tijde van de ten laste gelegde handelingen een feitelijke hulpverleningsrelatie bestond tussen aangeefster en de verdachte. Zeker nu de hulp en steun rond het overlijden zich richtte op het gezin en het contact tussen verdachte en (enkel) aangeefster volgens aangeefster pas ontstond in juni 2014 en pas intensiveerde (ver) na 29 juni 2014. Het feit dat meerdere personen zich bij de kerk hebben beklaagd over de omgang tussen verdachte en aangeefster en dat de kerk tot tweemaal toe met verdachte over die omgang heeft gesproken, doet daaraan niet af. Dat bepaalde zaken binnen een kerkelijke gemeenschap worden besproken, komt het hof niet onalledaags voor. Daaruit kan niet worden afgeleid dat er sprake is geweest van een hulpverleningsrelatie tussen verdachte en aangeefster door of vanuit de kerk ingegeven.