ECLI:NL:GHARL:2019:2299 (Geen rechtsgeldige overeenkomst bij stellige ontkenning handtekening)

Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2019, Geen rechtsgeldige overeenkomst bij stellige ontkenning handtekening
(ECLI:NL:GHARL:2019:2299)

Essentie
Hoe laat je zien dat je instemt met een overeenkomst? Makkelijk; je zet je handtekening. Maar wat nu als de ondertekenaar ontkent dat de handtekening onderaan de overeenkomst zijn handtekening is? Daar gaat nu precies dit arrest over. Art.159 lid 2 Rv zegt dat een ondertekende overeenkomst bij een stellige ontkenning geen bewijs oplevert, zolang niet wordt bewezen van wie de handtekening afkomstig is. In dit arrest ontkent appellant dat de gezette handtekening van hem is.

Rechtsregel
Maar wanneer is er nu sprake van een stellige ontkenning? Volgens het hof Arnhem-Leeuwarden heeft appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep stellig ontkend dat de handtekening op de overeenkomst van hem is. Anders dan in eerste aanleg overwogen, is voor het stellig ontkennen niet vereist dat degene die ontkent “gemotiveerd dient aan te geven dat en waarom de handtekening niet van hem afkomstig is”. Het is genoeg als de betrokkene duidelijk en ondubbelzinnig aangeeft dat de betreffende handtekening niet van hem is.

Inhoud arrest
Appellant huurt in juli 2015 een bestelbus bij geïntimeerde. Geïntimeerde verhuurt auto’s via het internet. Appellant huurt het busje voor 10 dagen tegen een prijs van € 2.099,99, inclusief een borg van € 250,-. Appellant betaalt op 2 juli 2015 € 250,- en op 10 juli 2015 € 1.850, – Partijen komen vervolgens overeen dat de bus vroegtijdig wordt teruggebracht, namelijk op 14 juli 2015, zonder schade en afgetankt, waarna geïntimeerde een bedrag van € 1.540, – zou terugbetalen aan appellant. Hiervoor hebben partijen op 14 juli 2015 een (ongedateerde) verklaring ondertekend. “Bij deze bevestig ik garen van move auto verhuur dat de bus met kenteken 57-rs-rv vandaag Zonder schade en afgetanked is teruggebracht. De verrekende huursom zal binnen een week worden gecrediteerd op rekening van [appellant]. (…) Het gaat dan om de huur som van €1850, hierbij wordt de huursom van 3 dagen verrekend. Het gaat dan om een totaal €308,55. Het verrekende bedrag is €1540 los van de borg.

Appellant heeft in eerste aanleg betaling gevorderd van € 3.534,64 (huursom + schadevergoeding). Reden hiervoor was dat de gehuurde bus niet was verzekerd voor ongevallen in het buitenland, wat wel in de overeenkomst stond. Appellant heeft als gevolg alsnog het vliegtuig moeten nemen. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen en overwogen dat appellant “onvoldoende heeft weersproken dat hij de overlegde schriftelijke kwijtingsverklaring, door de kantonrechter aangemerkt als een onderhandse akte, heeft ondertekend en niet voldoende onderbouwd dat de akte vals is.” Appellant kan ook geen aanspraak maken op schadevergoeding, nu partijen de tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst zijn overeengekomen.

In hoger beroep richt appellant geen grieven tegen het oordeel van de kantonrechter om geen schadevergoeding toe te kennen. In het hoger beroep gaat het om de vordering tot terugbetaling van € 1.790,-. Volgens het hof staat niet ter discussie dat geïntimeerde het hiervoor genoemd bedrag verschuldigd is aan appellant. Geïntimeerde voert echter een bevrijdend verweer, namelijk dat hij appellant al heeft betaald. Geïntimeerde beroept zich hiervoor op de bovengenoemde schriftelijke (ongedateerde) verklaring, die kan worden gezien als een onderhandse akte in de zin van art. 157 lid 2 Rv en daardoor als dwingend bewijs van de inhoud van die verklaring. Echter, dit zou anders zijn als appellant stellig ontkent dat de handtekening onder de verklaring zijn handtekening is. Omdat appellant in casu ontkent dat de handtekening van hem is, levert de onderhandse akte geen bewijs op zolang niet is bewezen van wie de handtekening dan wel is.

Volgens de kantonrechter was er geen sprake van een stellige ontkenning. Het hof is van mening dat er zowel in eerste aanleg als in hoger beroep door de appellant stellig wordt ontkend dat de handtekening van hem is (zie rechtsregel). Omdat de authenticiteit van de handtekening door appellant wordt ontkend, kan de verklaring niet bijdragen aan het bewijs vanuit de zijde van geïntimeerde en wordt daarom buiten beschouwing gelaten.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt geïntimeerde tot het betalen van € 1.790,-, te vermeerderen met wettelijke rente, en tot het betalen van de kosten van het hoger beroep.