ECLI:NL:GHARL:2019:1539 (Vernietiging vonnis na Valkenburgse zedenzaak)

Vernietiging vonnis na Valkenburgse zedenzaak, 20 februari 2019 
(ECLI:NL:GHARL:2019:1539)

Essentie
In dit arrest vernietigt het hof het vonnis in eerste aanleg van een verdachte die seksuele handelingen verrichtte met een minderjarige prostituee. Verdachte, of eigenlijk dader aangezien hij onherroepelijk is veroordeeld, heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een 17-jarig meisje. Het Hof oordeelt dat er niet is gebleken dat verdachte kon weten dat het meisje minderjarig was en legt daarom een minder zware straf op.

Rechtsregel
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, maar wist op het moment zelf niet dat dit het geval was. Verdachte wist niet dat het meisje minderjarig was en kon dit ook niet redelijkerwijs vermoeden. Het Hof neemt dit mee in de strafoplegging van verdachte.

Inhoud arrest
Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen en een taakstraf van 30 uur omdat hij seksuele handelingen heeft verricht met een minderjarige prostituee.
Zij bood haar diensten aan op een website onder een werknaam en op deze advertentie werd vermeld dat zij 18 jaar was. Vervolgens hebben zij afgesproken in een hotel. Op de hotelkamer hebben ze seksueel contact gehad. Het meisje heeft aangegeven, op vraag van verdachte, jonger te zijn dan 21 jaar maar er is niet verder gevraagd naar haar leeftijd. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het meisje en bijgedragen aan het in stand houden van minderjarige prostitutie aangezien het meisje slachtoffer bleek te zijn van mensenhandel.

Dit is op grond van art. 248b Sr strafbaar gesteld. Kinderen moeten volgens de wetgever in bescherming worden genomen tegen het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en tegen de seksuele exploitatie. Deze bescherming wordt dusdanig zwaarwegend geacht dat ook een bewezenverklaring kan ontstaan wanneer niet gebleken is dat de klant wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de prostituee minderjarig was. De gedachte hierachter is dat kinderen in een veilige omgeving moeten opgroeien en zich op een zo veilig mogelijke wijze kunnen ontwikkelen.

Gekeken naar de ernst van het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt, geldt dat als het meisje 18 jaar of ouder zou zijn geweest, verdachte geen strafbaar feit zou hebben gepleegd. Verdachte is er achteraf achter gekomen dat ze 17 jaar was en hij dus strafbaar was. Op het moment dat verdachte bij haar in de hotelkamer was, zijn er verder geen aanwijzingen geweest voor de minderjarigheid of voor het werken onder dwang.
Verdachte heeft er niet bij nagedacht dat het meisje minderjarig kon zijn, maar had dit wel moeten doen. Het Hof merkt daarbij op dat het contact met haar aan de orde was nog voordat de Valkenburgse zedenzaak in het nieuws kwam en het duidelijk werd dat klanten van de minderjarige prostituees konden rekenen op een strafrechtelijke vervolging. Het hof acht het daarom niet nodig om de verdachte zwaar te straffen en gelooft de verdachte als hij zegt dat hij nooit met het meisje had afgesproken als hij geweten had dat ze minderjarig was.

Uiteindelijk veroordeelt het Hof de verdachte tot een dag gevangenisstraf en 120 uur taakstraf.