ECLI:NL:GHARL:2019:10757 (Publicatie naam hoogleraar in #metoo-artikel)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 december 2019, Publicatie naam hoogleraar in #metoo-artikel
(ECLI:NL:GHARL:2019:10757)

Essentie

De vraag die in deze zaak centraal staat is of de naam van een hoogleraar genoemd mag worden in een krantenartikel van NRC over #metoo. Het hof oordeelt dat het in artikel 10 EVRM omschreven recht op vrijheid van meningsuiting van NRC in dit geval zwaarder weegt dan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals dit voortvloeit uit artikel 8 EVRM.

Rechtsregel

Indien er sprake is van een botsing van fundamentele rechten (in onderhavige zaak het recht op vrijheid van meningsuiting enerzijds en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer anderzijds), dient de vraag welke van deze rechten in het concrete geval zwaarder weegt, beantwoord te worden aan de hand van een afweging van alle omstandigheden van het geval. Gezichtspunten die bij deze afweging een rol spelen zijn onder meer de vraag of sprake is van een bijdrage aan het publieke debat, de persoon wiens privacy in het geding is als publiek figuur bestempeld kan worden en of is voldaan aan de binnen de journalistiek geldende ethische maatstaven.

Inhoud arrest

De hoogleraar in kwestie kwam enkele maanden geleden in de publiciteit vanwege langdurig seksueel overschrijdend gedrag bij de Universiteit van Amsterdam (UvA), waar hij hoogleraar Arbeidsrecht was. In mei 2019 had de voorzieningenrechter beslist dat NRC de naam van de hoogleraar niet mocht noemen, noch zijn portret mocht plaatsen. NRC gaat naar aanleiding van deze uitspraak in hoger beroep en de vraag rijst of voornoemd vonnis stand kan houden.

Het hof staat bij het schetsen van het juridisch kader stil bij de botsing tussen twee fundamentele rechten die in deze zaak spelen. In het geding is enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting van NRC (artikel 10 EVRM) en anderzijds het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de hoogleraar (artikel 8 EVRM). Beperkingen op deze fundamentele rechten zijn slechts toegestaan indien aan de vereisten van het tweede lid van voornoemde artikelen is voldaan. Aangezien deze grondrechten haaks op elkaar staan, moet de vraag welke van deze rechten in het concrete geval zwaarder weegt, beantwoord worden aan de hand van een afweging van alle omstandigheden van het geval. Voor deze afweging zijn in de Europese rechtspraak gezichtspunten ontwikkeld.

Als eerste noemt het hof dat het nieuwsartikel in kwestie een bijdrage aan het publieke debat levert, namelijk het #metoo-debat. Wanneer het gaat om bijdragen aan het publieke debat, bestaat er volgens het EHRM weinig ruimte voor beperkingen op de vrijheid van meningsuiting. Dit vloeit voort uit de taak van de pers om informatie te verspreiden en het recht van het publiek deze informatie te ontvangen.

Daarnaast overweegt het hof dat de hoogleraar aangemerkt kan worden als een publiek figuur, gezien zijn functie als hoogleraar en raadsheer-plaatsvervanger bij het hof van Amsterdam. Omdat de hoogleraar bestempeld wordt als een publiek figuur, mag de pers kritischer over hem zijn dan over een niet publiek figuur.

Een derde gezichtspunt dat het hof aanhaalt, is dat het artikel voldoende steun moet vinden in de feiten. Het hof kijkt waar de hoogleraar precies van beschuldigd wordt en of de feiten die beschuldiging steunen. Een beschuldiging die door de hoogleraar niet wordt ontkend is onder meer het feit dat hij tijdens de sinterklaasviering in 2017 “opzichtig boven een chocoladepenis hurkte.” Het hof gaat enkele andere beschuldigingen na en concludeert dat het artikel van NRC voldoende steun vindt in de feiten. Ook oordeelt het hof dat NRC deugdelijk onderzoek heeft verricht en heeft voldaan aan de binnen de journalistiek geldende ethische maatstaven, door 35 bronnen te horen en vertrouwelijke documenten in te zien.

Het laatste gezichtspunt dat het hof aankaart, is de ernst van de misstand. Omdat het in onderhavige zaak gaat om langdurig seksueel grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van meerdere ondergeschikte collega’s en studenten, oordeelt het hof dat ook deze omstandigheid meeweegt in het voordeel van het recht op vrijheid van meningsuiting van NRC.

Het hof gaat vervolgens in op omstandigheden die tegen de publicatie van de naam van de hoogleraar kunnen pleiten. Zo is de hoogleraar reeds vertrokken bij de UvA en zal het noemen van zijn naam – mede vanwege de reikwijdte van het internet – grote gevolgen hebben; niet alleen voor hemzelf, maar ook voor zijn vrouw en kinderen. Het hof is echter van mening dat deze en andere omstandigheden niet opwegen tegen de gezichtspunten die eerder genoemd zijn.

Ook een beroep op de artikelen 6 en 9 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming wordt door het hof van tafel geveegd. Verwerking van persoonsgegevens is immers toegestaan, indien een belangenafweging tussen wederom het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy in het voordeel van eerstgenoemd recht uitmondt.

Het hof komt tot de conclusie dat het door de voorzieningenrechter uitgesproken verbod om de voornaam en/of achternaam van de hoogleraar te noemen, vernietigd dient te worden: het recht op vrijheid van meningsuiting van NRC weegt zwaarder dan het recht van de hoogleraar op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. De – inmiddels werkloze – hoogleraar wordt veroordeeld in de kosten van de twee procedures, samen goed voor zo’n 5.700 euro.