ECLI:NL:GHAMS:2023:2073 (Sprake van beperking demonstratierecht door de ophouding voor verhoor?)

Gerechtshof Amsterdam 7 september 2023, Was er sprake van een beperking van het demonstratierecht door de ophouding voor verhoor bij een gebrek aan ‘laakbaar gedrag’?

Essentie

De rechtsvraag die centraal staat: is het ophouden voor verhoor een disproportionele reactie die een beperking geeft aan het demonstratierecht bij een gebrek aan ‘laakbaar gedrag’?

Rechtsregel

Het gerechtshof oordeelt als volgt. Het ophouden voor verhoor en verdere vervolging kan een disproportionele reactie zijn die binnen het demonstratierecht beperkend werkt (chilling effect), ook als er sprake is van het (mogelijk) begaan van een strafbaar feit gedurende de demonstratie.

Inhoud

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat er sprake was van lokaalvredebreuk (art. 139 Sr) gedurende een ‘non-violent direct action’ demonstratie in een kledingwinkel. De verdachten zijn gearresteerd en opgehouden voor verhoor waarbij het feit bekend is door de verdachten. Dit is ook bewezen verklaard door het hof.

De verdediging beargumenteerde dat er vreedzaam is gedemonstreerd (op basis van de door het EVRM en EHRM vastgelegde terminologie van vreedzame demonstratie, er geen ‘laakbaar gedrag’ heeft plaatsgevonden en dat de ophouding en vervolging een disproportionele inbreuk is op het demonstratierecht.

Het oordeel van het hof is dat de ophouding en strafrechtelijke vervolging zonder enige schade een disproportioneel overheidsoptreden betrof en dat er dus sprake was van schending van het recht op demonstratie (art. 10 en 11 EVRM) die niet noodzakelijk was. Het bewezen verklaarde leverde dus aldus het hof geen strafbaar feit op. De verdachten zijn ontslagen van alle rechtsvervolging.