ECLI:NL:GHAMS:2019:2744 (Parkeerbelasting elektrische auto)

Gerechtshof Amsterdam, 25 juli 2019, Kwalificatie van begrip ‘onmiddellijk laden en lossen’
(ECLI:NL:GHAMS:2019:2744)

Essentie

Aan de belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, omdat belanghebbende met zijn elektrische auto stond geparkeerd op een parkeerplaats zonder dat parkeerbelasting was betaald. Deze parkeerplaats was voorzien van een blauw bord met een “P” met daaronder een bord met de tekst: “uitsluitend opladen van elektrische auto’s”. De auto werd op dat tijdstip aan de laadpaal opgeladen. Het college van B&W heeft dit adres aangewezen als een locatie waar alleen tegen voldoening van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.

De belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het elektrisch opladen van zijn auto moet worden gekwalificeerd als ‘onmiddellijk laden en lossen’, wat in artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening Parkeerbelastingen 2018 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening) is uitgezonderd van het begrip ‘parkeren’.

Rechtsregel

De rechtbank oordeelt dat uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat onder ‘onmiddellijk laden en lossen’ moet worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Gelet op deze rechtspraak oordeelt de rechtbank dat het begrip ‘onmiddellijk laden en lossen’ een waarneembaar feitelijk en fysiek handelen betreft, waarbij de bestuurder met zaken van en/of naar de auto loopt, en dat zich aldus ook in zijn beperkte duur kenmerkend onderscheidt van ‘het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig’, als bedoeld in het begrip “parkeren” in de Verordening. Het aansluiten van een elektrische auto op een laadpaal om de accu van deze auto bij afwezigheid van de bestuurder gedurende meerdere uren op te laden, kan daarom niet worden aangemerkt als ‘onmiddellijk laden en lossen’ als bedoeld in de Verordening.

Inhoud arrest

Het hof oordeelt dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht aan de belanghebbende heeft opgelegd en neemt deze dan ook over. Dat in andere gemeenten dan Amsterdam voor een voertuig dat wordt opgeladen geen parkeerbelasting hoeft te worden betaald, leidt niet tot een ander oordeel.

Voorts heeft de belanghebbende nog aangevoerd dat hij op grond van artikel 24 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 bevoegd was zijn auto op voornoemde parkeerplaats te parkeren, omdat het RVV geen mogelijkheid biedt om voor een locatie die open staat voor parkeren alsnog een beperking aan te brengen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet en wel om de volgende reden.

De raad van de gemeente Amsterdam is bevoegd om in de Verordening regels te stellen voor het heffen en innen van belastingen voor het parkeren van voertuigen. Dit is niet in strijd met het RVV, in het bijzonder artikel 24 van het RVV, dat slechts verbodsvoorschriften voor het parkeren van voertuigen bevat. Het RVV bevat ook overigens geen regels voor de aanduiding van plaatsen waar tegen betaling kan worden geparkeerd. Het bord met onderschrift “uitsluitend opladen elektrische auto’s” houdt in dat op de betreffende parkeerplek uitsluitend elektrisch voortgedreven voertuigen mogen parkeren om deze aan de laadpaal op te laden. Dit betekent echter niet dat geen parkeerbelasting verschuldigd is.

Het is de verantwoordelijkheid van de parkeerder om zich op de hoogte te stellen van de regels voor de verschuldigdheid van parkeerbelasting en ervoor te zorgen dat de verschuldigde parkeerbelasting tijdig, bij aanvang van het parkeren, wordt voldaan.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van de belanghebbende ongegrond is.