ECLI:NL:CRVB:2022:1217 (Loondoorbetaling bij ziekte i.g.v. winterstop)

Centrale Raad van Beroep, 30 mei 2022, Loondoorbetaling bij ziekte in het geval van een winterstop
(ECLI:NL:CRVB:2022:1217)

Essentie

In onderstaande zaak is sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarvan de loonbetaling wordt opgeschort in de winterperiode. De Centrale Raad van Beroep buigt zich in deze zaak over de vraag of het UWV ziekengeld moet uitkeren over de periode dat werknemer geen loon betaald krijgt. De arbeidsovereenkomst wordt immers niet beëindigd door de loonopschorting in de winterperiode.

Rechtsregel

Loonopschorting in het winterseizoen heeft niet als gevolg dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd beëindigd wordt. Alleen indien er sprake is van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst dient het UWV ziekengeld uit te keren op grond van de Ziektewet.

Inhoud

Werknemer in deze zaak is werkzaam in een museum. In de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever is opgenomen dat de werknemer gedurende het zomerseizoen 24 uur per week werkzaam is. Voor het winterseizoen geldt dat werknemer geen werkzaamheden zal verrichten. Werknemer krijgt in deze periode ook geen salaris betaald, zelfs indien werknemer zich ziek meldt. Omdat de openingsdatum van het museum jaarlijks wisselt, kan de werkgever de start- en sluitingsdatum van het museum niet vastleggen. Gemiddeld genomen loopt de zomerperiode van 1 april tot 1 november en de winterperiode van 1 november tot 1 april.

In de winterseizoenen van 2008/2009 en 2009/2010 heeft werknemer schoonmaakwerkzaamheden verricht voor het museum. De overige winterseizoenen heeft werknemer een werkloosheidsuitkering ontvangen.

In het zomerseizoen van 2015 heeft de werknemer zich ziek gemeld. De werkgever heeft het loon van werknemer doorbetaald tot 3 november 2015. Per 3 november heeft de werknemer een werkloosheidsuitkering ontvangen. Vervolgens heeft de werkgever het loon tijdens ziekte weer doorbetaald van 29 maart 2016 tot 3 november 2016.

Het UWV heeft bij besluit van 28 oktober 2016 vastgesteld dat werknemer geen recht had op een werkloosheidsuitkering, omdat werknemer ziek was. Dit besluit is ingegaan per 24 oktober 2016. Na deze periode heeft de werkgever geen loon meer uitbetaald, omdat in het contract staat opgenomen dat werknemer geen salaris ontvangt in de winterperiode (ook niet in het geval van ziekte).

Het UWV heeft bij besluit van 6 december 2016 ook geoordeeld dat werknemer geen recht heeft op een Ziektewetuitkering, omdat werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft die tijdens ziekte doorloopt. Werknemer heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, maar het UWV heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Het UWV stelt zich immers op het standpunt dat de werkgever het loon dient door te betalen, omdat er sprake is van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd (art 29 lid 1 onder a ZW jo. art. 7:629 lid 1 BW.

De rechtbank heeft het beroep van werknemer tegen het besluit ongegrond verklaard. Het UWV heeft immers volgens de rechtbank op de juiste gronden de Ziektewetuitkering afgewezen. Dientengevolge heeft werknemer hoger beroep ingesteld. In geschil is of het besluit van het UWV juist is.

De Raad verwijst naar vaste rechtspraak waaruit blijkt dat beoordeeld dient te worden of er sprake is van een rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst in het winterseizoen. De raad oordeelt dat uit de omstandigheden blijkt dat het de bedoeling van werknemer en werkgever was om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zodat werknemer de zekerheid had dat hij werkzaamheden kon verrichten in het zomerseizoen. Zo werd voorkomen dat er ieder jaar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd afgesloten moest worden. De werkgever kon in dit geval altijd rekenen op de beschikbaarheid en inzet van de werknemer. Met het staken van de loondoorbetaling kan er niet gesproken worden van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, want dit is niet conform de wijze van beëindiging zoals opgenomen in het Burgerlijk Wetboek en de jurisprudentie. Art. 7:629 BW vindt daarom geldigheid vanaf het begin van het winterseizoen, waardoor het besluit van het UWV juist is. Het ziekengeld is terecht geweigerd op grond van art 29 lid 1 onder a ZW.