ECLI:NL:CRVB:2020:2327 (Herziening studiefinanciering)

Centrale Raad van Beroep, 30 september 2020, Herziening studiefinanciering
(http://ECLI:NL:CRVB:2020:2327)

Essentie

Terechte herziening toegekende studiefinanciering. Appellante stond als thuiswonende studerende aangemerkt. Het is niet noodzakelijk dat de studerende bij het huisbezoek aanwezig is. Ten tijde van het huisbezoek had appellante haar hoofdverblijf niet op het brp-adres.

Rechtsregel

Appellante heeft studiefinanciering op grond van Wsf 2000 ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

Inhoud

Appellante staat in de brp ingeschreven onder een adres. Onder dit adres staan ook ingeschreven een oom, tante en neef van appellante. Twee controleurs hebben in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe is, in het bijzijn van de hoofdbewoner, een huisbezoek afgelegd op het brp-adres.

Bij besluit heeft de minister, op basis van de bevindingen van het onderzoek, de aan appellante toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat zij als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van 2.482,91 euro van haar teruggevorderd. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante is er geen zorgvuldig onderzoek verricht en zijn de bevindingen van het huisbezoek niet toereikend voor de conclusie dat appellante niet woonde op het brp-adres.

Het staat vast dat het voor het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek in het algemeen niet noodzakelijk is dat de studerende bij het huisbezoek aanwezig is. Uit het rapport van het huisbezoek blijkt niet dat het huisbezoek niet in goede orde heeft kunnen plaatsvinden. Als de studerende meent dat tijdens het huisbezoek bepaalde zaken niet zijn opgemerkt of verkeerd zijn geïnterpreteerd dan is er tijdens de bezwaarfase ruim gelegenheid daarvan melding te maken.

De Raad is van oordeel dat de minister met de bevindingen van het huisbezoek heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De minister heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat appellante ten tijde van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde. Waar appellante stelt dat zij ten tijde van het huisbezoek al geruime tijd op het brp-adres woont, valt te verwachten dat daar haar persoonlijke spullen liggen waaruit kan worden afgeleid dat zij daar woont. De spullen zijn bij het huisbezoek niet aangetroffen. Op de van appellante getoonde kamer lagen allerlei spullen, zoals schone was, opgeslagen goederen, papieren, een werkrooster, een asbak en een shag-verpakking. Het bleek dat de aangetroffen spullen volgens de hoofdbewoner allemaal van hem en zijn vrouw zijn. Dat wijst er op dat appellante ten tijde van het huisbezoek geen hoofdverblijf op het brp-adres had.

Anders dan het standpunt van appellante is helder hoe de verklaring van de hoofdbewoner dat er geen persoonlijke eigendommen van appellante op het brp-adres liggen tot stand is gekomen. De hoofdbewoner heeft aan de controleurs meegedeeld dat appellante haar kleding en al haar andere spullen op dat moment niet op het brp-adres heeft. De hoofdbewoner heeft verklaard dat appellante al haar spullen tijdelijk naar de woning van haar oma heeft verhuisd omdat twee weken voor het huisbezoek de kast op de zolderkamer uit elkaar is gevallen, er nog geen nieuwe kast is en haar spullen nergens kwijt kon. De uit elkaar gevallen kast op de zolderkamer is naar het oordeel van de Raad geen verklaring voor de afwezigheid van persoonlijke zaken ten tijde van het huisbezoek.