ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387 (X/UWV)

X/UWV, CRvB 18 februari 2009
(ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387)

Lisanne Roestenberg

Essentie

De manier waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd, is niet doorslaggevend voor het oordeel of sprake is van een dringende reden voor ontslag.

Rechtsregel

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden voor het ontslag, is de manier waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd niet doorslaggevend. Er moet een onderzoek worden verricht naar de omstandigheden van het individuele geval en er moet worden beoordeeld of sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Daarbij is onder meer de subjectiviteit van de dringende reden, de aard en ernst van de gedraging, de aard en duur van de dienstbetrekking en het functioneren van de werknemer van belang. Daarnaast moet worden onderzocht of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

Inhoud arrest

De heer X is op 29 december 1997 gaan werken bij de werkgever als schoonmaker. Op 13 juli 2006 zou X een collega met een mes hebben bedreigd. Daarom wordt hij door de werkgever op non-actief gesteld met behoud van loon. Een aantal collega’s leggen een verklaring af en ondertekenen deze ook. De werkgever vraagt vervolgens ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan bij de kantonrechter, omdat het gedrag van X een dringende reden oplevert op grond van artikel 7:677 lid 1 jo. 7:678 lid 2 aanhef en onder e BW en subsidiair omdat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Door een collega met een mes te bedreigen is een vertrouwensbreuk ontstaan, waardoor de werkgever niet meer met X kan samenwerken.

Ter zitting van de kantonrechter lossen X en de werkgever het geschil samen op. De werkgever trekt het primaire verzoek in en de arbeidsovereenkomst wordt zonder vergoeding beëindigd per 1 oktober 2006. Deze afspraak legt de kantonrechter vast in een beschikking, waarin ook is opgenomen dat de ‘op zich vaststaande feiten’ maken dat de werkgever van mening mocht zijn dat er een verandering in de omstandigheden is, waardoor de arbeidsovereenkomst kan eindigen. De kantonrechter ziet geen reden voor een vergoeding, omdat X van 1 juli tot 1 oktober 2006 vrijgesteld is van werk.

Daarna vraagt X een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan bij het UWV. Het UWV weigert hem deze uitkering bij besluit van 20 november 2006, omdat hij verwijtbaar werkloos is. Het bezwaar wordt bij besluit van 22 februari 2007 ongegrond verklaard. Het UWV vindt het gedrag van X zo verwijtbaar dat hij had moeten weten dat dit tot ontslag zou leiden. De verwijtbare werkloosheid is X in overwegende mate toe te rekenen.

De rechtbank vernietigt het besluit van 22 februari 2017, omdat artikel 24 lid 2 aanhef en onder a WW per 1 oktober 2006 is gewijzigd en het UWV ten onrechte het oude artikel heeft toegepast. Vervolgens kijkt de rechtbank of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven. Uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de WW blijkt dat niet alleen bij een ontslag op staande voet verwijtbare werkloosheid is. De rechtbank oordeelt dat de gevolgen van het besluit niet in stand kunnen blijven, omdat er geen volledig beeld bestaat van de situatie waarin X met het mes naar een collega is gelopen. Er is geen onderzoek gedaan naar de aard en ernst van de gedraging en de overige omstandigheden. Dit onderzoek moet alsnog plaatsvinden volgens de rechtbank.

X heeft hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Hij stelt dat er geen sprake was van een dringende reden aangezien de kantonrechter dat niet heeft opgenomen in de beschikking. Het is onwenselijk dat de kantonrechter, het UWV en de bestuursrechter verschillende meningen hebben over dezelfde situatie. X is het wel eens met de rechtbank dat een nader onderzoek had moeten plaatsvinden. Het UWV stelt dat het gedrag van X voldoende aanleiding gaf voor een ontslag op staande voet en dat zijn persoonlijke omstandigheden zijn afgewogen tegen de ernst van de gedraging. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het UWV in de proceskosten van X tot een bedrag van € 644,-.