ECLI:NL:CBB:2019:498 (vergunningsvereisten artikel 2:67 Wft)

College van Beroep voor het Bedrijfsleven, aanvraag om vergunning op grond van artikel 2:65 Wft terecht afgewezen
(ECLI:NL:CBB:2019:498)

Essentie

In deze uitspraak draait het om de vergunningsvereisten (m.n. de betrouwbaarheid en geschiktheid van beleidsbepalers) van artikel 2:67 lid 1 Wft.

Rechtsregel

De vraag die centraal staat is of de AFM redelijkerwijs de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat de beoogde beleidsbepalers gedragingen hebben vertoond die blijk geven van het niet dan wel onvoldoende beschikken over de eigenschap van wetsgetrouwheid  in het kader van artikel 2:67 Wft.
Het College heeft geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoet aan de vereisten van artikel  4:9 en artikel 4:10 Wft, waardoor de AFM terecht tot de conclusie is gekomen dat appellante niet voldoet aan de vergunningsvereisten van artikel 2:67 lid 1 Wft. De AFM heeft de aanvraag van een vergunning ex artikel 2:65 Wft dus ook terecht afgewezen.

Inhoud

In het geding is appellante onderdeel van partij X   die opgericht en gestructureerd is door vijf natuurlijke personen. Tot partij X  behoort ook partij Y  die onder toezicht staat van de Luxemburgse toezichthouder, de La Commission de Surveillance du Secteur Financier.

Partij Y heeft op 12 oktober met partij Z  een Fund Service Overeenkomst (FSO) gesloten met als wens van partij X het publiek in Nederland de mogelijkheid te bieden om vermogen op te bouwen in een beleggingsinstelling. Partij Z heeft kenbaar gemaakt bereid te zijn om voor partij X een beleggingsinstelling  op te richten en haar medewerking te verlenen aan het opzetten, structuren, distribueren en onderhouden van het fonds. Vervolgens heeft partij Z in november 2012 aan de Stichting Autoriteit Financiële markten (hierna AFM) gemeld dat zij de beleggingsinstelling – aangeboden door een nevenvestiging van haar – gaat beheren en heeft de AFM dit fonds ruim een maand later geregistreerd.

Enige tijd later hebben partijen Y en Z hun samenwerkingsovereenkomst beëindigd met als gevolg dat appellante in oktober 2013 een vergunning heeft aangevraagd op grond van artikel 2:65 Wft. Tevens heeft appellante de beleggingsinstelling aangemeld met drie (beoogde) beleidsbepalers die allen alle vragen van het ‘Formulier Betrouwbaarheidsonderzoek’ van de AFM ontkennend hebben beantwoord.

De AFM heeft bij besluit van 11 juni 2015 de aanvraag afgewezen op grond van artikel 2:65 Wft en bij besluit van 3 januari 2017 het bezwaar ongegrond verklaard. Ten grondslag van deze weigering werd gelegd dat appellante niet voldoet aan de vergunningsvereisten neergelegd in artikel 2:67 Wft. Zo is appellante verbonden met personen in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur die ondoorzichtig is (ex artikel 4:13 Wft), maar beschikt appellante ook niet over integere en beheerste bedrijfsvoering (ex artikel 4:14 Wft). Daarnaast staat de betrouwbaarheid van de drie (beoogde) beleidsbepalers niet (langer) buiten twijfel (ex artikel 4:10 Wft) en tot slot zijn de beleidsbepalers niet geschikt als beleidsbepalers van de beleggingsinstelling (ex artikel 4:9 lid 1 Wft).