ECLI:GHDHA:2019:1533 (Vrijspraak in zaak Mitch Henriquez)

Gerechtshof Den Haag 19 juni 2019, Vrijspraak in zaak Mitch Henriquez
(ECLI:NL:GHDHA:2019:1533)

Essentie
Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voor het medeplegen aan mishandeling, de dood tot gevolg hebbend. Namens verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen zijn niet allemaal door de verdachte verricht, maar worden via de constructie van het medeplegen wel aan hen beiden verweten. Het gaat hierbij om de volgende handelingen:
a – het slachtoffer gedurende enige tijd op zijn buik tegen de grond houden en (met kracht) tegen/op het lichaam van het slachtoffer duwen en/of drukken;
b – (met kracht) de nek/hals van het slachtoffer (met een arm) afklemmen gedurende enige tijd;
c – al dan niet met gebalde vuist tegen de neus, althans het gezicht, van het slachtoffer slaan;
d – pepperspray in het gelaat van het slachtoffer wrijven.

Rechtsregel
Kan het door de agent toegepaste geweld worden aangemerkt als buitenproportioneel handelen? Het Hof stelt vast dat de voornoemde geweldshandelingen niet kunnen worden aangemerkt als buitenproportioneel geweld. Vastgesteld is dat het slachtoffer zich met kracht tegen de aanhouding heeft verzet. De door verdachte verrichtte geweldshandelingen (a, c en d) hebben naar het oordeel van het Hof plaatsgevonden op een moment in de worsteling dat zij effectief zouden kunnen bijdragen aan het snel breken van het verzet van het slachtoffer. De geweldshandelingen kunnen volgens het Hof worden bestempeld als rechtmatig.

Inhoud arrest
Op 27 juni 2015 vond in het Zuiderpark in Den Haag het muziekfestival ‘Night at the Park’ plaats. Omstreeks 22.00 uur bevond slachtoffer zich bij een van de uitgangen van het festivalterrein. Meerdere getuigen leidden uit het gedrag van het slachtoffer af dat hij onder invloed was van alcoholische drank; onvast ter been, liep wankelend en schreeuwde meerdere malen dat hij een (vuur)wapen had waarbij hij naar zijn kruis greep. De aanwezige agenten omschreven dit gedrag tijdens hun getuigenverklaring als provocerend, agressief en bedreigend.

Dit gedrag trok ook de aandacht van verdachte en zijn collega’s, die zich op dat moment in de een ME-bus bevonden. Zij zijn achtereenvolgens de ME-bus uitgestapt en besloten het slachtoffer aan te houden. Het slachtoffer verzette zich flink tegen de aanhouding, waardoor het niet lukte om hem op de grond te krijgen. Aangezien op dat moment voor de agenten nog niet duidelijk was of het slachtoffer daadwerkelijk een (vuur)wapen bij zich droeg, was het van belang om hem op de grond onder controle te krijgen.

Nadat het slachtoffer na toepassing van een balans verstorende techniek op de grond terecht is gekomen, is door een aantal politieagenten geweld gebruikt om de aanhouding te bewerkstelligen. Het slachtoffer is uiteindelijk buiten bewustzijn geraakt en in de ME-bus naar het politiebureau Zuiderpark overgebracht. Aldaar is het slachtoffer door agenten en ambulancepersoneel gereanimeerd. Het slachtoffer is een dag later in het ziekenhuis overleden.

Toetsingskader
Op grond van artikel 7 Politiewet 2012 is een politieagent bevoegd om voor de uitvoering van de politietaak, geweld te gebruiken. Politieagenten zijn niet alleen bevoegd om geweld te gebruiken in de uitvoering van hun maatschappelijke taak, maar in voorkomende gevallen wordt dit ook van hen verwacht wanneer de noodzaak hiertoe bestaat. Waar een ander bij gevaarlijke situaties kan terugtreden om te voorkomen dat hij geweld zal gebruiken, wordt van een agent juist verwacht dat hij in die situaties optreedt en actie onderneemt.

In het voetspoor van hetgeen daarover is neergelegd in rechterlijke beslissingen (Hof Den Haag 17 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3418 en Rechtbank Den Haag 2 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14520) neemt het Hof evenals de rechtbank verder als uitgangspunt dat bij de strafrechtelijke beoordeling van opsporingshandelingen van politieagenten in functie terughoudendheid moet worden betracht. Beoordeeld dient te worden of het toegepaste geweld voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, niet of de politieagent redelijkerwijs een andere keuze had kunnen maken of dat een andere keuze voor de hand had gelegen.

Sub a
Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat het op de buik tegen de grond houden en tegen het lichaam van [slachtoffer] duwen geweldshandelingen zijn die, gelet op het verzet van het slachtoffer en de noodzaak om hem in verband hiermee tegen de grond te houden, voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Sub c
Verdachte heeft verklaard dat de slagen in het gezicht van het slachtoffer waren bedoeld om zijn aandacht af te leiden en hem te laten schrikken en dat deze niet uit volle kracht waren. Niet gebleken is dat deze slagen hebben geleid tot enig letsel bij het slachtoffer. Het dossier geeft ook verder geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de verklaring van verdachte over de kracht van de slagen niet juist zou zijn. Het Hof gaat er dan ook van uit dat de slagen niet onnodig hard waren. Zij waren daarom niet buitenproportioneel.

Sub d
Ook het wrijven van pepperspray in het gezicht van het slachtoffer is naar het oordeel van het Hof, hoe onaangenaam en pijnlijk ook, op dat moment geen vorm van buitenproportioneel geweld. Het Hof acht ook de wijze waarop verdachte de pepperspray heeft gebruikt (wrijven in het gezicht) passend, mede gelet op het feit dat verdachte heeft verklaard dat de afstand tussen hem en het slachtoffer te klein was om rechtstreeks in diens ogen te sprayen.

Voornoemde geweldshandelingen kunnen in dit licht dus als doelmatig worden aangemerkt en voldoen daarom ook aan het vereiste van subsidiariteit. Het Hof oordeelt dat de geweldshandelingen kunnen worden bestempeld als rechtmatig en spreekt verdachte hiervan vrij.