ECLI:EU:C:2018:871 (Bauer/Wuppertal of Vakantiedagen bij overlijden)

Bauer/Wuppertal of Vakantiedagen bij overlijden, 6 november 2018
(ECLI:EU:C:2018:871)

Essentie
Horizontale rechtstreekse werking van grondrechten uit het Europees Handvest.

Rechtsregel
Een nationale regeling waarbij de niet-opgenomen vakantiedagen vervallen bij het einde van een dienstverband door overlijden van de werknemer, zonder dat hiervoor een financiële vergoeding aan de nabestaanden wordt gegeven, is in strijd met artikel 7 van de Richtlijn 2003/88/EG.

Als nationaal recht niet conform deze Richtlijn en artikel 31, tweede lid, van het Europees Handvest kan worden uitgelegd, moet de nationale rechter het nationaal recht buiten toepassing laten en erop toezien dat de werkgever alsnog een financiële vergoeding voor de niet-opgenomen vakantiedagen uitbetaalt aan de nabestaanden.

Inhoud arrest
Mevrouw Bauer en mevrouw Broßonn zijn allebei getrouwd. Na het overlijden van hun partners verzoeken zijn de werkgevers van hun echtgenoten om uitbetaling van hun niet-opgenomen vakantiedagen. Die zijn er 25 respectievelijk 32. De werkgevers wijzen allebei het verzoek af, omdat de aanspraak op vakantie volgens Duits recht vervalt als je overlijdt. Deze aanspraak kan niet overgaan in een recht op vergoeding van deze dagen en valt ook niet in de nalatenschap van de overledenen volgens Duits recht.

Bauer en Broßonn stappen naar de rechter. De rechtbank in Duitsland, het Bundesarbeidsgericht, stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en wil weten of deze regeling in strijd is met het Unierecht.

Het Hof overweegt dat de Duitse regeling in strijd is met het Unierecht. Het recht op vakantie en financiële vergoeding voor niet-opgenomen dagen is onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als er geen recht bestond op vergoeding bij het einde van een dienstverband, zou dit het recht op vakantie uithollen. Dit betekent dat de Duitse rechter het nationale recht richtlijnconform moet uitleggen en, als dat niet kan, het nationale recht buiten toepassing moet laten. In dit geval moeten Bauer en Broßonn een financiële vergoeding krijgen voor de niet—opgenomen vakantiedagen die hun echtgenoten nog hadden. Dit is de werkgever verplicht op grond van artikel 31, tweede lid, van het Handvest, welk artikel in dit geval rechtstreekse werking heeft. De rechtbank moet erop toezien dat de werkgever dit ook betaalt aan Bauer e Broßonn.