ECLI:EU:C:1964:66 (Costa/E.N.E.L.)

HVJ Costa/E.N.E.L. HvJ EG 15 juli 1964 
(ECLI:EU:C:1964:66)

Door Michiel Hennevelt

Essentie
Het EEG-verdrag heeft in tegenstelling tot andere internationale verdragen een eigen, autonome rechtsorde gecreëerd. Bij inwerkingtreding van het verdrag is deze rechtsorde in de rechtsorde van de lidstaten opgenomen, de nationale rechters moeten hier rekening mee houden.

Rechtsregel
Het Europees recht vloeit voort uit autonome bron en kan op grond van zijn bijzondere karakter niet door enige voorschrift van nationaal recht opzij worden gezet. Het Europees recht heeft dus, onafhankelijk van de nationale rechtsorde, voorrang op strijdige nationale bepalingen.

Inhoud arrest
De zaak gaat tussen een advocaat, Costa, en een voormalig staatsbedrijf van Italië dat op het gebied van energievoorziening actief is, E.N.E.L.. Vanwege een Italiaanse nationalisatiewet wordt een bedrijf waar Costa aandelenbelang in heeft geïncorporeerd in E.N.E.L.. Costa verzoekt de nationale rechter prejudiciële vragen te stellen over verenigbaarheid van de nationalisatiewet met een aantal bepalingen van Europees recht.

De prejudiciële vragen zien op de verenigbaarheid van de nationalisatiewet met een aantal artikelen van het EEG-verdrag. In reactie hierop stelt de Italiaanse regering dat de nationalisatiewet boven het Europees recht gaat, de behandeling van deze stelling is de kern van het arrest. Het HvJ overweegt, in antwoord op de stelling van Italië, dat met het EEG-verdrag een eigen, autonome rechtsorde is gecreëerd. De lidstaten hebben namelijk hun soevereiniteit op beperkt terrein begrensd en hebben daarmee een rechtsstelsel in het leven geroepen dat zowel bindend is voor hun onderdanen als voor henzelf. Nationale rechters moeten hier rekening mee houden. Eenzijdige wettelijke voorschriften van de lidstaten kunnen om deze reden niet boven het Europees recht worden gesteld. Zonder deze voorrang van het Europees recht zouden bepaling van Europees recht namelijk betekenisloos zijn, wat in strijd is met het autonome karakter van de Europese rechtsorde. Wat betreft de vragen van de Italiaans rechter oordeelt het HvJ dat de nationalisatiewet verenigbaar is met de bepalingen van Europees recht.

De kern van het arrest ligt echter in de voorrang die het HvJ verbindt aan het Europese recht. Samen met HvJ Van Gend en Loos, waar het ging om de directe werking van het Europees recht, heeft het HvJ met dit arrest bepaald dat de EEG een zekere mate van soevereiniteit heeft. Samenhangend met deze soevereiniteit is de controversiële stelling dat de Europese rechter de bevoegdheid heeft om te oordelen over welke gebieden hij bevoegd is. Dit kan getypeerd worden met het Duitse begrip ‘kompetenz-kompetenz’. In het licht van deze twee klassieke arrest kan men het moeilijk met deze stelling oneens zijn.