ECLI:CE:ECHR:2020:0707JUD000529414 (geen schending van rechten aandeelhouders)

Grote Kamer der EHRM, 7 juli 2020, geen schending van rechten aandeelhouders.(ECLI:CE:ECHR:2020:0707JUD000529414)

Essentie

Aandeelhouders van twee Hongaarse banken hebben een zaak aanhangig gemaakt bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake de schending van art. 34 EVRM, doordat de nieuwe Hongaarse Integratiewet de rechten van aandeelhouders direct raakt. Door de Grote Kamer wordt naast de inhoudelijke behandeling van het geschil ook dieper ingegaan op de vraag of aandeelhouders terecht kunnen bij het EHRM voor ondernemingsrechtelijke kwesties. Naast het feit dat het Hof wijst dat er geen schending is van art. 34 EVRM, blijkt de deur voor ondernemingsrechtelijke geschillen eveneens dicht, mede omdat met name de Grote Kamer niet happig is om zich zulke geschillen aan te trekken.

Rechtsvraag

In hoeverre kunnen aandeelhouders bij het EHRM terecht over geschillen inzake ondernemingsrechtelijke kwesties?

Inhoud

Op 7 juli jl. is door de Grote Kamer van het EHRM gewezen dat de partijen die een ondernemingsrechtelijke kwestie aanhangig hebben gemaakt niet-ontvankelijk zijn. De Grote Kamer heeft deze beslissing gemaakt doordat er een onderscheid gemaakt wordt tussen situaties waar de aandeelhouders rechtstreeks geraakt worden in hun belang, dan wel de vennootschap waarbij de betrokkenen in de zaak aandeelhouder zijn. Het Hof colcudeert dat er sprake is van de laatste situatie, waarbij de aandeelhouders niet rechtstreeks geraakt worden in hun belang. Dat de Integratiewet de rechten van aandeelhouders zodanig treft dat er sprake is van een schending van art. 34 EVRM wordt door het Hof eveneens bestreden. Zeker in het licht van de kredietcrisis uit 2008 is er niets mis met het aanscherpen van toezicht op banken. Ook wijkt de betreffende wet niet af van vergelijkbare wetgeving in andere lidstaten, hetgeen ook meeweegt in het oordeel van het Hof. Concluderend staat de deur bij het EHRM voor partijen in ondernemingsrechtelijke kwesties enkel in uitzonderlijke gevallen open, waar een schending onmiskenbaar het geval is (quod non).