ECLI: EU:C:1982:335 (CILFIT)

HvJ EG 6 oktober 1982
(ECLI: EU:C:1982:335)

Door Michiel Hennevelt

Essentie
Prejudiciële vraag van de Italiaanse rechter, over de verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ, door een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, art. 267, derde alinea VWEU (oud: art. 177 EEG-verdrag).

Rechtsregel
Er zijn drie uitzonderingen op de verplichting van art. 267, derde alinea VWEU:
1) de opgeworpen vraag is niet relevant voor de oplossing van het geschil;
2) er is sprake van een acte éclairé, d.w.z. het HvJ heeft over de vraag reeds beslist;
3) er is sprake van een acte clair, d.w.z. er kan redelijkerwijze geen twijfel bestaan over de vraag.

Inhoud arrest
CILFIT is een bedrijf voor wolverwerking. In een geschil met het Italiaanse Ministerie van Volksgezondheid, betreffende de te betalen heffing over ingevoerde wol, wordt tot de Italiaanse cassatierechter geprocedeerd. Voor het ‘Corte Suprema di Cassazione’ verschillen de partijen van mening over de vraag of de Italiaanse rechter wel of niet verplicht is prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ over de Italiaanse invoerrechten.

Het Ministerie van Volksgezondheid stelt dat de uitlegging van het gemeenschapsrecht, wat betreft dit punt (het wel of niet mogen heffen van invoerrechten), zo evident is dat er geen sprake kan zijn van mogelijke twijfel, en dat prejudiciële verwijzing naar het HvJ dus niet nodig is. CILFIT brengt hier tegen in dat art. 177 EEG-verdrag strikter uitgelegd moet worden, namelijk dat verwijzing verplicht is omdat er nu eenmaal een vraag, betreffende de uitlegging van gemeenschapsrecht, voor de Italiaanse rechter is opgeworpen.

De rechter besluit een prejudiciële vraag te stellen omtrent de uitlegging van art. 177, derde alinea EEG-verdrag. Hij vraagt in essentie of het de hoogste rechter toegestaan is om de noodzaak van verwijzing te toetsen, en hierbij te kijken of er redelijke twijfel omtrent de uitlegging bestaat. Ook vraagt hij wat dan de grenzen van deze toetsing zijn.

Het HvJ gaat uit van een hoofdzakelijk teleologische interpretatie van art. 177 EEG-verdrag; wat is het voorziene doel van de bepaling? Het belangrijkste doel is de juiste toepassing en eenvormige uitlegging van het gemeenschapsrecht in alle lidstaten. Hierbij past de verplichting van de hoogste nationale rechter om vragen omtrent dat recht door te verwijzen. Het is echter niet zo dat art. 177 EEG-verdrag als rechtsmiddel voor partijen gezien moet worden, dit brengt met zich mee dat het uiteindelijk de rechter is die beslist over het wel of niet doorverwijzen van een vraag over gemeenschapsrecht. De rechter mag hierbij beoordelen of de opgeworpen vraag relevant is voor de oplossing van het geschil.  Wanneer dit niet het geval is, geldt de verplichting van art. 177, derde alinea EEG-verdrag niet.

Behalve deze eerste beperking van de verwijzingsverplichting expliceert het HvJ nog twee uitzonderingen. Dit zijn de acte éclairé en de acte clair. Het is aan de Italiaanse rechter om te beoordelen of sprake is van één van deze uitzonderingen. Van de eerste is sprake wanneer het HvJ al eerder over een gelijke vraag uitlegging heeft gegeven, of wanneer er sprake is van vaste rechtspraak waarin het antwoord op de vraag te vinden is. Het is hierbij niet nodig dat de vraag exact hetzelfde is. Van een acte clair is sprake wanneer er geen redelijke twijfel kan bestaan over de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost.

Gezien de eisen die het HvJ stelt zal er niet snel sprake zijn van een acte clair, en zal het bovendien veel werk zijn voor de rechter om te achterhalen of dit het geval is. Zo moeten alle verschillende taalversies van de betreffende bepaling met elkaar vergeleken worden, moet gekeken worden of de nationale terminologie verschilt van de terminologie van het gemeenschapsrecht, en moet de zaak ook nog in de context van het gemeenschapsrecht worden bekeken. Slechts als na een beschouwing van al deze zaken de uitlegging nog steeds niet voor twijfel vatbaar is, zal er sprake zijn van een acte clair en hoeft de rechter geen prejudiciële vragen te stellen.