ECLI:NL:RBMNE:2020:1851 (Cambuur & De Graafschap/KNVB)

Rb Midden-Nederland, Cambuur & De Graafschap/KNVB, 14 mei 2020
[ECLI:NL:RBMNE:2020:1851]

Door Pim Heiden

Feiten

De overheid heeft wegens het coronavirus tot 1 september 2020 het spelen van betaald voetbalwedstrijden verboden. Het bestuur betaald voetbal van de KNVB heeft derhalve op 24 april besloten dat geen promotie naar de eredivisie en geen degradatie naar de eerste divisie zal plaatsvinden.

Cambuur en De Graafschap, die als respectievelijk nummer een en twee van de eerste divisie afstevenden op promotie naar de eredivisie, meenden recht te hebben op een plek in de eredivisie. Het besluit van het bestuur betaald voetbal van 24 april achtten zij om verschillende redenen ongeldig.

Eisen

Cambuur en De Graafschap eisen primair dat de voorzieningenrechter de KNVB veroordeelt tot het nemen van een nieuw besluit waaruit volgt dat beide clubs wel naar de eredivisie promoveren. Subsidiair eisen ze dat de voorzieningenrechter de KNVB veroordeelt tot het nemen van een nieuw besluit en het bijeenroepen van een algemene ledenvergadering betaald voetbal.

Ter onderbouwing van deze vorderingen, brengen Cambuur en De Graafschap vier argumenten aan:
1.  Het promotie- en degradatiebesluit is vernietigbaar, omdat dit besluit is genomen in strijd met het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal en de daarvan onderdeel uitmakende Promotie- en degradatieregeling (art. 2:15 lid 1 onder c BW).
2. Het promotie- en degradatiebesluit van het bestuur betaald voetbal van de KNVB is vernietigbaar, omdat het in strijd met de statuten en reglementen tot stand is gekomen (art. 2:15 lid 1 onder a BW).
3. Het promotie- en degradatiebesluit van het bestuur betaald voetbal is van rechtswege nietig, omdat dit besluit is strijd is met het kartelverbod (art. 6 Mw en 101 VWEU).
4. Het promotie- en degradatiebesluit is in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist en daarom is het vernietigbaar (art. 2:15 lid 1 onder b BW).

Beoordeling

De voorzieningenrechter komt aan de hand van de volgende argumentatie tot de conclusie dat geen van de hierboven genoemde argumenten gevolgd dient te worden:
1. De Promotie-degradatieregeling waar eisers naar verwijzen ziet op een reguliere competitie. In dit geval kan echter niet van een ‘reguliere’ competitie worden gesproken, omdat de competitie voortijdig is beëindigd.
2. Op grond van de reglementen was het bestuur betaald voetbal bevoegd om een besluit te nemen ten aanzien van de afwikkeling van het seizoen indien zich bijzondere omstandigheden zouden voordoen. In dit geval is er duidelijk sprake van bijzondere omstandigheden en dus was het bestuur betaald voetbal bevoegd om een besluit te nemen, zonder dat daar een reglementswijziging voor vereist was.
3. Het is onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een schending van de mededinging. Het schrappen van promotie en degradatie wordt immers slechts voor één jaar bepaald en vindt slechts plaats wegens zeer uitzonderlijke omstandigheden.
4. Hoewel de door het bestuur betaald voetbal gevolgde procedure niet perfect is, is deze niet zo onzorgvuldig dat het besluit hierom vernietigbaar is. Het bestuur betaald voetbal was immers bevoegd om zelfstandig een besluit te nemen. Ook de inhoud van het besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De vergelijking met de verdeling van Europese tickets (waar de ranglijst wel als doorslaggevend werd gezien) gaat niet op, omdat daarvoor een richtlijn van de Europese voetbalbond UEFA gevolgd diende te worden en voor het promotie- en degradatiebesluit niet.

Aangezien geen van deze argumenten wordt gevolgd, veroordeelt de voorzieningenrechter de KNVB niet tot het nemen van een nieuw besluit. Daarnaast wijst de voorzieningenrechter ook de vordering tot het bijeenroepen van een algemene ledenvergadering af, omdat eisers onvoldoende hebben gemotiveerd waarom deze er zou moeten komen en wat daar besproken zou moeten worden.