Brasserskade-arrest

Brasserskade, HR 20 februari 1962
(NJ 1962/157)

Essentie
Dit arrest gaat over een persoon die tegen een boom is aangereden. In de tenlastelegging wordt opgenomen dat de boom rechts van de weg staat, terwijl de boom in werkelijkheid aan de linkerkant van de weg stond. De tenlastelegging kan niet meer worden aangepast. De Hoge Raad paste een strikte uitleg toe van de grondslagleer.

Rechtsregel
De vraag die de Hoge Raad moest beantwoorden, luidde: ‘Is er sprake van grondslagverlating door het Gerechtshof?’ De vraag werd bevestigend beantwoord.

De rechtbank en het Hof hebben in strijd gehandeld met art. 350 en art. 358 Sv. De verdachte dient te worden vrijgesproken. Het gaat erom dat door het weglaten van een bestanddeel de bewezenverklaring een zodanig andere inhoud krijgt, dat dit zou slaan op een andere gebeurtenis dan die in de tenlastelegging is opgenomen. Een wijziging in de tenlastelegging is toegestaan als deze informatie strafrechtelijk gezien irrelevant is, maar als er te veel verschil is, is de wijziging niet toelaatbaar.

Inhoud arrest
Over de inhoud van dit arrest is helaas weinig bekend. Kortgezegd komt het erop neer dat een automobilist met zijn auto tegen een boom rijdt die links langs de weg staat. Het gaat hierbij om een tweebaansweg, dus een weg met tegenliggers. Hierdoor ontstond gevaar voor andere weggebruikers. In de tenlastelegging stond dat de bestuurder tegen een boom aan de rechterkant van de weg was aangereden. Omdat de tenlastelegging niet meer kon worden aangepast, kon het openbaar ministerie niet bewijzen dat de bestuurder tegen een boom links van de weg was aangereden in plaats van rechts. Er volgde vrijspraak.

De tenlastelegging in deze zaak was als volgt:

“dat hij te Pijnacker op althans omstreeks 20 sept. 1960 te ongeveer 10.45 uur als bestuurder van een personenmotorrijtuig daarmede rijdende in de richting Nootdorp over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Brasserskade, op een gegeven moment onvoorzichtiglijk is op- of aangereden althans – gegleden tegen, althans niet heeft voorkomen dat het door hem (verd.) bestuurde motorrijtuig is op- of aangereden, althans – gegleden tegen een zich in de linkerberm van die weg bevindende boom, waarbij het door hem (verd.) bestuurde motorrijtuig zich dwars, althans nagenoeg dwars, op de rijbaan van die weg kwam te bevinden, terwijl op dat moment een ander personenmotorrijtuig, welks bestuurder daarmede rijdende over die Brasserskade in de richting Delft hem (verd.) dicht althans vrij dicht was genaderd, door welke gedraging van hem (verd.) de veiligheid van dat andere motorrijtuig in gevaar werd gebracht, althans – naar redelijkerwijze was aan te nemen – in gevaar kon worden gebracht, en/of de vrije doorgang voor dat andere motorrijtuig zonder verkeersnoodzaak werd belemmerd, althans de veiligheid op de weg aldaar – naar redelijkerwijze was aan te nemen – in gevaar kon worden gebracht;”

De Hoge Raad kwam tot het volgende oordeel:

“dat de Rb. heeft bewezenverklaard dat req. het hem tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande – voorzover te dezen van belang – „dat hij ……… op een gegeven moment onvoorzichtiglijk is aangereden tegen een zich in de berm van die weg (de Brasserskade te Pijnacker) bevindende boom ………”;

dat echter in de dagv. was gesteld, dat het door req. bestuurde motorrijtuig tengevolge van diens laakbaar gedrag in aanraking was gekomen met „een zich in de linkerberm van die weg bevindende boom” – zijnde met „linkerberm” kennelijk bedoeld de linkerberm gezien in de bewegingsrichting van req. – waardoor de plaats waarop evenbedoeld gebeuren zich zou hebben voorgedaan nader was aangegeven en beperkt;

dat de Rb. aldus bij haar beraadslaging en bewezenverklaring den grondslag der t.l.l. heeft verlaten en dienvolgens in strijd heeft gehandeld met het bepaalde bij de artt. 350 en 358 i.v.m. 398, 415 en 425 Sv., weshalve de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven;

dat, gelet op de door de Rb. gegeven vrijspraak van hetgeen aan req. bij inl. dagv. meer of anders was telastegelegd dan hetgeen bij haar vonnis bewezen werd verklaard, welke slechts tot vrijspraak van de gehele t.l.l. had kunnen leiden, reeds thans vaststaat, dat na verwijzing der zaak geen andere beslissing zou kunnen volgen dan vrijspraak van het aan req. telastegelegde, voorzover daarover nog niet onherroepelijk is beslist;

dat in verband hiermede verwijzing der zaak – hoewel formeel op haar plaats – zou indruisen tegen de eisen ener doelmatige reechtspleging, en de H. R. ten principale recht zal doen;

Vernietigt het bestreden vonnis behalve voorzover daarbij het beroepen vonnis van den Ktr. is vernietigd en voorzover req. van het hem telastegelegde is vrijgesproken;”

Reacties

reacties