ECLI:NL:RVS:2004:AP4683 (Haarlemse dakopbouw)

Haarlemse dakopbouw, ABRvS 30 juni 2004
(ECLI:NL:RVS:2004:AP4683)

Essentie
In deze uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State staat de beginselplicht tot handhaving centraal.

Rechtsregel
In onderhavig geval staat de vraag centraal of het bestuursorgaan, het college van B&W, van handhavend optreden had moeten afzien. Een bestuursorgaan heeft bepaalde manieren om handhavend op te treden. Een bestuursorgaan is bevoegd om bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen.

Artikel 5:21 e.v. Awb gaan over de last onder bestuursdwang. Een last onder bestuursdwang is een herstelsanctie en houdt in een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Het doel van de last onder bestuursdwang is om de overtreder ertoe te bewegen de overtreding ongedaan te maken.

Artikel 5:31d e.v. Awb gaan over de last onder dwangsom. Een last onder dwangsom is ook een herstelsanctie en houdt in een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en de verplichting tot betaling van een geldsom indien het herstel niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

De algemene regel is dat er handhavend moet worden opgetreden. Onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan in kwestie besluiten om niet handhavend op te treden. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er concreet uitzicht op legalisatie bestaat, of als het handhaven in een disproportionele verhouding staat tot het te dienen doel van de overtreden wet.

Inhoud uitspraak
Op 18 februari 2002 heeft het college van B&W van Haarlem betrokkenen de opdracht gegeven de dakopbouw van hun woning binnen twaalf weken in overeenstemming te brengen met een daarvoor verleende bouwvergunning dan wel deze af te breken, onder oplegging van een dwangsom van € 6.000,00 per week, met een maximum van € 18.000,00. Tegen dit besluit zijn betrokkenen in bezwaar gegaan. Het bezwaar is ongegrond verklaard en ook het ingestelde beroep is ongegrond verklaard. Betrokkenen stellen daarom hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Eerst beoordeelt de Afdeling of er sprake is van een overtreding. In onderhavig geval is hier sprake van, omdat betrokkenen de dakopbouw hebben gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning, wat in strijd is met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet. Het college van B&W heeft dus de bevoegdheid om tegen deze overtreding handhavend op te treden. In de regel zijn ze verplicht om van deze bevoegdheid gebruik te maken tenzij er concreet zicht is op legalisatie of dat handhaven in onderhavig geval niet proportioneel is. De rechtbank had geoordeeld dat concreet zicht op legalisatie ontbrak en betrokkenen hebben dit niet betwist in hoger beroep. Ook is het opleggen van een last onder dwangsom in onderhavig geval niet disproportioneel. Volgens de Afdeling was het wel degelijk mogelijk om aan de last te voldoen in de daarvoor gestelde begunstigingstermijn. In onderhavig geval heeft het college van B&W terecht handhavend opgetreden.