ECLI:NL:CRVB:2013:770 (Bewijs)

Bewijs, 27 juni 2013 

(ECLI:NL:CRVB:2013:770)

Essentie

In de Awb, artikel 8:69 lid 3, is vastgesteld dat de rechter ambtshalve feiten kan aanvullen en heeft de rechter de bevoegdheid om bij de vaststelling van de feiten af te wijken van de feiten zoals deze door partijen zijn gepresenteerd.

Rechtsregel

In onderhavig geval staat de vraag centraal of de rechter over de buitengrens van het omvang van het geding is getreden door zelf een deskundige aan te stellen.

In artikel 8:69 Awb is het volgende bepaald:

1. De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.

3. De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.

Uit artikel 8:69 lid 3 Awb blijkt dat de rechter ambtshalve feiten mag aanvullen. Indien het noodzakelijk is voor het geding mag de rechter bijvoorbeeld een deskundige benoemen. Met het benoemen van een deskundige is de rechter niet over de buitengrens van de omvang van het geding getreden. Volgens de wet heeft hij de bevoegdheid om dit te doen.

Op grond van artikel 8:69 lid 3 Awb mag de rechter ambtshalve feiten aanvullen en heeft de rechter de bevoegdheid om bij de vaststelling van de feiten af te wijken van de feiten zoals deze door partijen zijn gepresenteerd. De rechter is met benoeming van de deskundige niet over de buitengrens van de omvang van het geding getreden, omdat zonder de wetenschap het vraagstuk van het causaal verband tussen de ziekte van appellante en haar beroepswerkzaamheden niet beantwoord kon worden.

De rechtbank mocht afgaan op de conclusies van de deskundige. De bewijslast ligt bij de appellante en deze heeft geen deskundig tegenbewijs geleverd en daarmee bleef de verklaring van de deskundige in stand. Daarom kan er geconcludeerd worden dat appellante voor het door haar gestelde causaal verband, en daarmee de door haar gestelde beroepsziekte, onvoldoende bewijs heeft aangedragen.

Inhoud

In deze zaak gaat het om een geschil tussen appellante en de politiechef van de regio Rotterdam Rijnmond. Vanaf 17 november 2007 is appellante arbeidsongeschikt geworden vanwege een ernstige ziekte. In mei 2008 heeft de korpschef besloten dat appellante niet ziek is geworden in haar functie. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar ingediend. Dit bezwaar is afgewezen. Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechter heeft tijdens de behandeling van de zaak een deskundige benoemd die onderzoek had gedaan naar de ziekte van appellante. Deze heeft geconcludeerd dat de ziekte die appellante had opgelopen niet verbonden was aan de werkzaamheden die ze had verricht in haar functie. Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld, omdat deze het er niet mee eens was dat de rechter uit eigen beweging een deskundige had benoemd om de ziekte te onderzoeken.

De CRvB heeft geconcludeerd dat de rechterbank bevoegd was om een deskundige aan te stellen om nader onderzoek te verrichten. De appellante had de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren, maar dit heeft ze niet gedaan. De verklaring van de deskundige bleef hierdoor in stand.