ECLI:NL:RBROT:2021:10088 (Onrechtmatige concurrentie zonder concurrentiebeding)

Rechtbank Rotterdam, 13 januari 2021, onrechtmatige concurrentie zonder concurrentiebeding,
(ECLI:NL:RBROT:2021:10088)

Essentie

In onderhavige zaak is vermoedelijk sprake van onrechtmatige concurrentie. Er is in de arbeidsovereenkomst tussen de ex-werkgever en ex-werknemer echter geen non-concurrentiebeding opgenomen. De rechtbank oordeelt dat in dit geval de Boogaard/Vesta maatstaf van toepassing is.

Rechtsregel

Bij gebreke van een non-concurrentiebeding moet aan de hand van de Boogaard/Vesta criteria worden beoordeeld of de gedaagden zich schuldig hebben gemaakt aan het onrechtmatig handelen jegens een voormalig werkgever. De volgende maatstaf dient gehanteerd te worden:

“Wil onrechtmatig concurreren door de ex-werknemer aan de orde zijn, dan moet derhalve sprake zijn van het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van de gewezen werkgever met gebruikmaking van kennis en gegevens die bij de voormalige werkgever vertrouwelijk zijn verkregen door de aldus handelende ex-werknemer”.

Inhoud

Na een dienstbetrekking van twee jaar zijn een schoonmaakbedrijf (hierna: schoonmaakbedrijf 1) en haar werknemer (hierna: gedaagde) overeengekomen om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen (1 januari 2017 t/m 31 januari 2019). In de arbeidsovereenkomst stond geen concurrentie- relatie- of anti-ronselbeding opgenomen. Wel bevatte de arbeidsovereenkomst een verbod op het verrichten van nevenactiviteiten, een geheimhoudingsbeding en een boetbeding. Na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft de gedaagde wel nog administratieve werkzaamheden verricht voor schoonmaakbedrijf 1, als zijnde een ‘vriendendienst’, van 1 februari 2019 tot 1 oktober 2019.

Schoonmaakbedrijf 1 had drie McDonald’s vestigingen als klant op het moment dat gedaagde hier nog werkzaam was. De overeenkomsten met de McDonald’s vestigingen golden voor 12 maanden met een mogelijkheid van stilzwijgende verlenging voor een periode van één jaar, behoudens opzegging door een van de partijen met een opzegtermijn van één maand. Schoonmaakbedrijf 1 verdiende hiermee € 8.500 ,- exclusief btw per maand per vestiging. Op 9 september 2019 bevestigt de supervisor van de McDonald’s vestigingen per e-mail dat de drie overeenkomsten per 8 oktober worden opgezegd.

Gedaagde heeft op 16 september 2019 een eigen schoonmaakbedrijf opgericht (hierna: schoonmaakbedrijf 2).  Per 1 oktober 2019 zijn tussen schoonmaakbedrijf 2 en de supervisor van de drie McDonald’s vestigingen schoonmaakcontracten gesloten ten behoeve van deze vestigingen. De voorwaarden van die contracten zijn identiek aan de voorwaarden in het contract met schoonmaakbedrijf 1.Schoonmaakbedrijf 1 stelt zowel schoonmaakbedrijf 2 als gedaagde aansprakelijk voor de geleden schade en de nog te lijden schade ten gevolge van onrechtmatig handelen van gedaagde en het profiteren van schoonmaakbedrijf 2. Schoonmaakbedrijf 1 is van mening dat gedaagde de McDonald’s vestigingen actief geronseld heeft. Dit des te meer gezien de timing van het einde van de werkzaamheden van gedaagde en het opzeggen van de contracten door de supervisor. Er zou volgens het schoonmaakbedrijf sprake zijn van onrechtmatige concurrentie. De gedaagde heeft namelijk kennis en gegevens gebruikt die hij verkregen heeft uit zijn dienstverband. Volgens schoonmaakbedrijf 1 was het aannemelijk dat de contracten met de McDonald’s vestigingen zouden hebben voortgeduurd tot het vierde kwartaal van 2022.

Gedaagden stellen echter dat hij de McDonald’s vestigingen nooit actief heeft benaderd. De supervisor zou de contracten met schoonmaakbedrijf 1 hebben opgezegd, omdat hij niet tevreden was met het geleverde schoonmaakwerk. Tevens stellen gedaagden dat er geen duurzame relatie bestond tussen schoonmaakbedrijf 1 en de McDonald’s vestigingen, nu de overeenkomsten nog maar drie jaar liepen. Ook zou het verlies van drie contracten niet als substantieel aangemerkt kunnen worden. Bovendien stellen gedaagden dat zij tijdens het dienstverband geen ronselactiviteiten hebben uitgevoerd, nu de dienstbetrekking op 31 januari 2019 is beëindigd. Op het moment dat zij benaderd werden door de McDonald’s vestigingen was het dienstverband dus allang ten einde.

De rechtbank oordeelt dat er bij gebreke van een non-concurrentiebeding aan de hand van de Boogaard/Vesta criteria moet worden beoordeeld of de gedaagden zich schuldig hebben gemaakt aan het onrechtmatig handelen jegens schoonmaakbedrijf 1. De volgende maatstaf dient gehanteerd te worden:

“Wil onrechtmatig concurreren door de ex-werknemer aan de orde zijn, dan moet derhalve sprake zijn van het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van de gewezen werkgever met gebruikmaking van kennis en gegevens die bij de voormalige werkgever vertrouwelijk zijn verkregen door de aldus handelende ex-werknemer”.

De rechtbank oordeelt dat er een bewijslevering moet plaatsvinden, nu gedaagden zich gemotiveerd hebben tegengesproken en een en ander doordoor niet is komen vast te staan. De bewijslast rust bij schoonmaakbedrijf 1 gelet op art. 150 Rv. De rechtbank zal schoonmaakbedrijf 1 dientengevolge tot het aangeboden bewijs toelaten. De rechtbank stelt dat schoonmaakbedrijf 1 wel aan haar stelplicht voldaan heeft. Indien de stellingen komen vast te staan is sprake van een stelselmatige en substantiële afbraak van het duurzame bedrijfsdebiet van schoonmaakbedrijf 1. Dat de overeenkomsten nog maar drie jaar liepen en dat het slechts drie McDonald’s vestigingen betreft, leidt niet tot een andere conclusie. Het is immers duidelijk dat de drie overeenkomsten een substantiële omzet per maand genereerden. De rechtbank laat schoonmaakbedrijf 1 dus tot het leveren van bewijs toe.