ECLI:NL:RBNHO:2020:1562 (Ernstig bedrog en misleiding van werkgever door werknemer)

Rb. Noord-Holland 27 februari 2020, ernstig bedrog en misleiding van werkgever door werknemer
(ECLI:NL:RBNHO:2020:1562)

Essentie

In deze zaak eist werkgever Royaal Vastgoed BV een terugbetaling van ruim honderdduizend euro van haar werknemer. De werknemer heeft zijn werkgever op zeer ernstige wijze misleid en bedrogen, als gevolg waarvan hij op staande voet is ontslagen. De terugbetaling heeft onder meer betrekking op het salaris, gederfde winst, kosten gemaakt door een bedrijfsrechercheur en proceskosten. De werknemer voert verweer.

Rechtsregel

Een aantal vragen ligt aan deze zaak ten grondslag. Ten eerste moet worden gekeken of werknemer moet worden veroordeeld tot het betalen van een gefixeerde schadevergoeding en tot terugbetaling van het loon. Dit is het geval op grond van art. 7:677 lid 2 BW. Werknemer heeft werkgever misleid door het vervalsen van communicatie tussen hem en potentiële cliënten, bankafschriften, rapporten en contracten. Het voornoemde artikel stelt dat een werknemer die door opzet of schuld aan zijn werkgever een dringende reden heeft gegeven voor ontslag op staande voet, aan zijn werkgever een gefixeerde schadevergoeding is verschuldigd. Werknemer is tot aan het allerlaatste moment blijven volharden in zijn bedrog en misleiding en heeft geen verklaring kunnen geven voor zijn handelen.

Ten tweede moet worden beoordeeld of werknemer aansprakelijk is voor de geleden schade, in het geval van Royaal Vastgoed BV bestaande uit reis- en verblijfskosten en gederfde winst. Op basis van art. 7:661 lid 1 BW is dit niet het geval, tenzij sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. In casu is sprake van opzet dan wel bewuste roekeloosheid. Werknemer heeft eiser opzettelijk bedrogen en misleid. Hij moet zich hiervan ook steeds bewust zijn geweest, wat maakt dat verweerder aansprakelijk is voor de schade die eiser heeft geleden als gevolg van het bedrog. Voor aansprakelijkheid is niet vereist dat de schade is toegebracht door het verrichten van de bedongen arbeid, maar het is voldoende dat de schade is toegebracht bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Verweerder is in ieder geval aansprakelijk voor de toegebrachte schade op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) en moet deze dan ook vergoeden (art. 6:98 BW).

Ten derde gaat het over de gemaakte kosten van eiser voor Hoffmann Bedrijfsrecherche. De gemaakte kosten van ruim negenduizend euro zijn toewijsbaar, omdat dit redelijke kosten zijn ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Voorts zijn de werkzaamheden van Hoffmann proportioneel en goed gespecificeerd en onderbouwd (art. 6:96 lid 2 sub b BW). Deze kosten waren tevens noodzakelijk, omdat werknemer zijn bedrog stellig bleef ontkennen en het inschakelen van bedrijfsrecherche noodzakelijk bleek.

Ten vierde betreft het de vraag of de door Royaal Vastgoed BV gemaakte beslagkosten van ruim drieduizend euro toewijsbaar zijn. Dit is het geval, omdat de kosten voldoende zijn toegelicht en concreet zijn onderbouwd. Bovendien is niet gebleken dat de gelegde beslagen nietig, onrechtmatig of onnodig waren (ex art. 706 Rv). De verweren van werknemer inhoudende dat geen vrees bestond voor verduistering, dat het beslag onnodig is gelegd en inmiddels deels is opgeheven, worden verworpen. De rechtbank is van mening dat alleen al gelet op het bedrog van werknemer er voldoende reden is geweest voor het leggen van beslag en dat dit zeker niet onnodig was. Het feit dat het beslag deels is opgeheven na toezeggingen en zekerheidsstelling door werknemer, doet niets af aan de rechtmatigheid van het beslag.

Tot slot de vraag of de buitengerechtelijke kosten van ruim drieduizend euro toewijsbaar zijn. Dit verzoek wordt afgewezen, omdat werknemer niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf. In deze zaak, die gaat over een contractuele geldschuld, is werknemer een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf. Dit betekent dat werknemer pas buitengerechtelijke kosten is verschuldigd nadat hij is aangemaand en hem de gevolgen van het uitblijven van de betaling zijn duidelijk gemaakt (de 14-dagen-brief). Een dergelijke aanmaning is niet verzonden.

Inhoud vonnis

Het geschil speelt tussen Royaal Vastgoed BV en een werknemer. De werknemer is in dienst als accountmanager met een salaris van 2.400 euro bruto per maand. De taak van werknemer is het werven van potentiële klanten en het te benaderen voor vastgoedprojecten. Werknemer werkt onder de twee bestuurders (tevens aandeelhouders) van Royaal Vastgoed BV. Werknemer vertelt zijn leidinggevenden dat hij contacten heeft gelegd met investeerders voor een omvangrijk vastgoedproject dat een waarde vertegenwoordigt van vijf miljoen euro tot vijftig miljoen euro. De klanten zouden leden zijn van een van de rijkste families uit India. Werknemer geeft ook aan dat hij contact heeft gehad met de dochter van de eigenaar van een groot vastgoedbedrijf in Dubai. Zij zou ook interesse hebben getoond in een investering in projecten van Royaal Vastgoed BV. Om contact te onderhouden met deze potentiële klanten krijgt werknemer een laptop en e-mailaccount van de zaak.

Werknemer onderhoudt mailcontact met de potentiële klanten uit India en stuurt de correspondentie door naar zijn leidinggevenden. Op een gegeven moment geeft werknemer te kennen dat hij naar Mumbai zal moeten afreizen in het kader van onderhandelingen. Hij reist met een van zijn bazen af naar India, maar zegt tegen zijn leidinggevende dat de klant niet wil dat hij bij het gesprek aanwezig is, omdat de klant geen zaken wil doen met een onbekende. Na afloop van het gesprek zegt werknemer tegen zijn leidinggevende dat het gesprek goed is verlopen en dat een koopcontract is getekend voor aankoop van percelen grond ter waarde van dertig miljoen euro. Het getekende contract alsmede een bankafschrift waarop de eerste betaling te zien is, stuurt hij door naar zijn bazen. Betaling blijft echter uit en ­bij navraag door de leiding, vertelt werknemer dat er een probleempje is met de betaling aan de zijde van de klant. Werknemer zegt dat de betaling in orde komt, maar dat de klant voornemens is om nog meer te investeren en dat Royaal Vastgoed BV de komende jaren nog eens driehonderd miljoen euro zou kunnen verdienen.

Betalingen voor de oorspronkelijke deal blijven uit, maar werknemer blijft bankafschriften tonen waaruit blijkt dat de betaling reeds is voldaan. Enige tijd later geeft werknemer aan dat hij door de klant is uitgenodigd om weer naar India te komen om de stand van zaken te bespreken. Bij terugkomst stelt werknemer dat de klant vanwege omstandigheden het koopcontract op een andere naam wilde laten zetten. Deze persoon zou zich in Dubai bevinden en werknemer wilde dan ook graag naar Dubai om de nieuwe overeenkomst te laten tekenen. Werknemer vliegt vervolgens naar Dubai met zijn andere leidinggevende, alwaar hij wederom aangeeft dat de klant huiverig is wat betreft onbekenden aan de onderhandelingstafel. Het gesprek verliep goed en werknemer overhandigde een nieuw contract waarin de koop van percelen grond in Nederland werd bedongen voor een prijs van 112 miljoen euro. Hierbij gaf werknemer ook aan dat het andere bedrijf uit Dubai ook nog steeds geïnteresseerd was in een samenwerking met Royaal Vastgoed BV. Ook hiervan werd de mailcorrespondentie aan werkgever overlegd.

Werkgever is inmiddels sceptisch over de gehele toestand, omdat er vooralsnog geen betalingen zijn gedaan. De IT-afdeling van Royaal Vastgoed BV doet onderzoek naar de e-mails en concludeert dat de e-mails die afkomstig waren van de klanten in India en Dubai, in werkelijkheid zijn verzonden vanuit Nederland. Bovendien blijkt dat de betreffende e-mails niet daadwerkelijk verzonden kunnen zijn, omdat de domeinnamen waarvan de mails afkomstig zijn niet bestaan. Werkgever concludeert op basis hiervan dat alle e-mails van de klanten gericht aan werknemer vervalst moeten zijn. Royaal Vastgoed BV heeft ook meteen de bankafschriften nader onderzocht en geconcludeerd dat deze ook allemaal vervalst zijn.

Werknemer werd verzocht om in een persoonlijk gesprek met beide leidinggevenden een verklaring te geven voor de bevindingen omtrent de e-mails en bankafschriften. Werknemer heeft hier geen verklaring voor kunnen geven en is dan ook meteen ontslagen op staande voet. In een schriftelijke bevestiging wordt door werkgever als dringende reden het volgende opgegeven: “Jij hebt ons voorgehouden dat jij contacten had in Dubai die jou zouden hebben benaderd c.q. die jij zelf zou hebben benaderd. Deze contacten zouden geïnteresseerd zijn om te investeren in (Nederlands) vastgoed. Jij kwam met de voornamen “ [contact 1] ” en “ [contact 2] ” van de familie “ [naam familie] ”, woonachtig in zowel Dubai als India. Ook zou een zekere Leila [naam bedrijf] contact met jou hebben opgenomen. Sinds medio maart 2019 heb jij de volledige vrijheid verkregen om enkel jouw werktijd te besteden aan deze vermeende investeerders. Jij hebt geen andere werkzaamheden meer verricht. Ook ben jij een keer naar India en twee keer naar Dubai afgereisd, waar jij verbleef in dure hotels. Dit alles op onze kosten. Ondanks diverse toezeggingen van jouw kant en van deze vermeende “ [contact 1] ” en “ [contact 2] ” “ [naam familie] ”, ontvingen wij geen enkel bedrag van deze vermeende investeerders. Ook mochten wij deze vermeende investeerders van jou niet spreken en niet ontmoeten. Dit zou volgens jou de handelsrelatie schaden en de kans verkleinen dat deze vermeende investeerders daadwerkelijk over zouden gaan tot het doen van een investering. Deze omstandigheden waren voor ons aanleiding om een onderzoek in te stellen. Recent hebben wij moeten ontdekken dat meerdere e-mails (…) nep zijn. Naast bovenstaande is ons uit nader onderzoek gebleken dat de statement of accounts die wij via jou van de vermeende familie [naam familie] ontvingen vervalst zijn. Bij een nadere blik blijken deze statement of accounts immers onjuistheden te bevatten. Onjuistheden die (geautomatiseerde) documenten van grote financiële instellingen, zoals de Emirates NBD Bank, niet hebben. Met de hiervoor omschreven omstandigheden heb jij ons aanzienlijke schade toegebracht. Jij hebt ons dus moedwillig misleid door:

  1. het vertellen van kennelijke onwaarheden, waaronder het vertellen van verschillende verhalen omtrent vermeende investeerders die interesse zouden hebben om in Nederlands vastgoed te investeren;
  2. e-mails namens de vermeende Indiase familie “ [naam familie] ” direct dan wel indirect vanuit Nederland te verzenden;
  3. e-mails na te bootsen afkomstig van niet bestaande domeinnamen en;
  4. ons diverse onechte statement of accounts toe te sturen.

Vandaag, op 8 augustus 2019 hebben wij jou in de gelegenheid gesteld om op onze constateringen tot dat moment te reageren. Jij hebt geen of geen afdoende verklaring kunnen geven. (…) Los van verdere eventuele onregelmatigheden die nog boven zouden kunnen komen, leidt alles wat door ons vandaag is besproken er voor ons dan ook toe dat door jouw handelen ons vertrouwen in jou zodanig ernstig is geschaad dat zulks aangemerkt wordt als een dringende reden voor een ontslag op staande voet.”

Om haar conclusies te onderbouwen, heeft Royaal Vastgoed BV een bedrijfsrechercheur ingeschakeld. De bedrijfsrechercheur komt in een uitgebreid rapport tot de conclusie dat werknemer alle communicatie en alle bankafschriften zelf heeft gemaakt en de hele deal in scène heeft gezet. Royaal Vastgoed BV verzoekt de rechter daarom de werknemer te veroordelen tot betaling van: een gefixeerde schadevergoeding van 4.515,10 euro, 10.800 euro aan onterecht betaald salaris, 28.147,72 euro aan reis- en verblijfskosten, 136.000 euro aan gederfde winst, 9.152,92 euro aan kosten voor het inschakelen van het recherchebureau, kosten voor beslaglegging en overige buitengerechtelijke kosten en de volledige proceskosten ad 15.754,82 euro.

De rechtbank wijst de vordering van Royaal Vastgoed BV gedeeltelijk toe, namelijk een gefixeerde schadevergoeding ad 443,77 euro (incl. wettelijke rente), 28.147,72 euro aan reis- en verblijfkosten, 3.278,16 euro aan beslagkosten, 10.800 euro aan onterecht ontvangen salaris, 22.500 euro aan gederfde winst, 9.152,92 euro aan recherchekosten, 972 euro aan griffierecht, 960 euro aan proceskosten en 4.022,23 euro aan kosten voor salaris gemachtigde.