ECLI:NL:GHSHE:2021:2158 (Echtscheiding reden voor ontslag op basis van de h-grond)

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 8 juli 2021, Echtscheiding reden voor ontslag op basis van de h-grond
(ECLI:NL:GHSHE:2021:2158)

Essentie

Een echtscheiding tussen een directeur en een werknemer leidt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van de h-grond. Het hof oordeelt dat de echtscheidingsproblemen doorwerken in de arbeidsrelatie. Hierbij is het niet van belang of de werknemer iets kan worden verweten.

Rechtsregel

Vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap wordt van een werkgever in beginsel verlangd dat serieuze pogingen worden ondernomen om te komen tot verbetering van de relatie met een werknemer. Die situatie is anders als de werkgever, ten gevolge van een privérelatie, een niet gebruikelijke invulling gaf aan haar instructierecht. In dat geval is het hof van oordeel dat verbetering van de werkrelatie niet van de werkgever gevergd kan of hoeft te worden, omdat de arbeidsrelatie niet zodanig is dat deze als een reguliere werkgever/werknemer-relatie is te beschouwen.

Inhoud

De directeur is sinds 1991 grootaandeelhouder van het bedrijf waar de desbetreffende werknemer op 28 december 2000 in dienst treedt in de functie van personeelsfunctionaris. De directeur en de werknemer kennen elkaar sinds hun jeugdjaren en zijn met elkaar op jonge leeftijd een relatie aangegaan en later getrouwd.

De directeur en de werknemer hebben in 2019 besloten om te gaan scheiden en zijn sindsdien verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Op 11 november 2019 heeft de werknemer zich ziekgemeld. De arbeidsdeskundige heeft op 10 september 2020 voorgesteld dat de werknemer hersteld zou worden gemeld. De arboarts had namelijk vastgesteld dat er geen beperkingen waren, maar dat gezien de gecompliceerde arbeidsverhoudingen wel sprake was van situationele arbeidsongeschiktheid. Vervolgens is de werknemer met ingang van 16 september 2020 hersteld gemeld en meteen ook vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. Bij verzoekschrift van 21 september 2020 heeft de werkgever verzocht de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden.

De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst wegens een verstoring van de arbeidsverhouding ontbonden per 1 februari 2021 onder toekenning van de transitievergoeding. De werknemer gaat hiertegen in hoger beroep en voert daarbij onder andere aan dat de echtscheiding geen grond mag zijn voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en dat dit geen reden is om haar minder rechtsbescherming te bieden dan andere werknemers. Het gaat in dit hoger beroep dus in de kern om de vraag of de arbeidsovereenkomst al dan niet terecht is ontbonden. Daarnaast speelt de vraag of de werknemer recht heeft op een billijke vergoeding.

Ter zitting voert de werknemer aan dat het erop lijkt dat de kantonrechter van oordeel was dat de werknemer zich als gevolg van de echtscheiding heeft misdragen. Het hof deelt die conclusie niet. Het gaat er niet om of de werknemer iets kan worden verweten. Het hof schaart zich achter het oordeel van de kantonrechter dat de verslechtering van de persoonlijke relatie doorwerkt in de arbeidsrelatie. Niet van belang is of de werknemer heeft gedisfunctioneerd of dat zij verwijtbaar heeft gehandeld, maar om de vraag of de privéproblemen tussen haar en de directeur zodanig zijn dat deze doorwerken in de arbeidsovereenkomst en of die doorwerking zodanig is dat dit moet leiden tot een einde van de arbeidsovereenkomst.

In dit geval kan de vraag of de arbeidsovereenkomst moet eindigen niet los worden gezien van de problemen in de privérelatie tussen de werknemer en de directeur. Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet op reguliere wijze is uitgevoerd, kan de werknemer niet worden gevolgd in haar betoog dat het onjuist is om een verschil te maken in rechtsbescherming tussen haar als werknemer die gehuwd is met de directeur en werknemers die geen relatie hebben met een lid van de directie.

Gelet op de niet-reguliere arbeidsovereenkomst met de werknemer, hoeft niet van de werkgever gevergd te worden dat zij eerst nog pogingen onderneemt om de arbeidsrelatie te herstellen. Dat lag niet in de rede gelet op de slechte privérelatie tussen de werknemer en de directeur. Om die reden is herplaatsing ook niet aan de orde. Dat samenwerking volgens de werknemer nog steeds mogelijk is, acht het hof een niet realistisch standpunt.

Het hof is van oordeel dat de relatiebreuk tussen de werknemer en de directeur, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is uitgevoerd, reden is om ontbinding aan te nemen op de h-grond van artikel 7:669 lid 3 BW. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking.