ECLI:NL:RBDHA:2021:13295 (Staat hoeft reisadviezen voor landen buiten EU niet aan te passen)

Rechtbank Den Haag, 3 december 2021, Reisadviezen voor landen buiten de EU hoeven niet te worden aangepast door de Staat
(
ECLI:NL:RBDHA:2021:13295)

Essentie

In deze zaak hebben 53 reisorganisaties, die reizen aanbieden buiten de EU, in een kort geding bij de rechtbank Den Haag gevraagd om de reisadviezen aan te passen. Zij zijn van mening dat de Staat ten onrechte doet voorkomen alsof reizen buiten de EU vanwege de coronasituatie onveilig is, ook voor reizigers die volledig gevaccineerd zijn. De reisorganisaties vinden dat zij schade lijden, omdat de reizigers hun reisgedrag zouden afstemmen op de adviezen.

Het door het ministerie gemaakt onderscheid tussen landen binnen en buiten de EU is misschien niet consequent, maar dat maakt het onderscheid volgens de rechter nog niet onrechtmatig. De keuze om voor de reisadviezen binnen de EU rekening te houden met het vrij verkeer van personen past binnen de beleidsruimte die de Staat heeft. Er bestaat geen verplichting voor de Staat om in de gegeven (epidemiologische) omstandigheden onderscheid te maken tussen gevaccineerde en ongevaccineerde reizigers.

Verder mag de Staat aansluiting zoeken bij de EU Veilige Landenlijst bij het geven van reisadviezen voor landen buiten de EU, omdat ervan uit kan worden gegaan dat landen op die lijst veiliger zijn dan landen die niet op die lijst staan.

Tot slot is het niet onbegrijpelijk dat de Staat in verband met de sterke toename van de besmettings- en opnamecijfers geen uitvoering heeft gegeven aan het voornemen om reisadviezen voor landen buiten de EU te versoepelen.

Rechtsregel

De vraag in deze zaak is of de reisadviezen, die worden afgegeven in verband met de coronasituatie, voor landen buiten de EER moeten worden aangepast.

Voor de beoordeling hiervan dient gekeken te worden naar een aantal punten: het relativiteitsvereiste en belangen van de Reisorganisaties, algemene uitgangspunten, bezwaren, onderscheid tussen landen binnen en buiten de EU, de totstandkoming van reisadviezen voor landen buiten de EU en toezeggingen/gewekte verwachtingen.

Aan de hand van het hierboven genoemde kan worden vastgesteld dat de Staat op dit moment niet gehouden is om de reisadviezen voor landen buiten de EER conform de vorderingen van de Reisorganisaties aan te passen. De vorderingen zijn dus afgewezen.

Inhoud vonnis

Het gaat in deze zaak om het aanpassen van reisadviezen buiten de EU, omdat reizigers volgens de reisorganisaties op basis hiervan besluiten maken en deze besluiten volgens de reisorganisaties niet worden gemaakt op basis van juiste informatie. Of de reisadviezen aangepast moeten worden is afhankelijk van het volgende.

In deze zaak staat niet ter discussie dat de reisadviezen bedoeld zijn om te worden opgevolgd; ze worden vaak geraadpleegd, en worden (veelal) opgevolgd, zowel door de reizigers als door de Reisorganisaties. Volgens de Reisorganisaties kan het afgeven van onjuiste en/of onzorgvuldige reisadviezen leiden tot het oordeel dat een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm is geschonden die bescherming biedt tegen de schade van de Reisorganisaties.

Verder blijkt dat de civiele rechter – en zeker de rechter in het kort geding – zich terughoudend moet opstellen bij de beoordeling van de keuzes die de Staat binnen de grenzen van zijn beoordelings- en beleidsvrijheid maakt, omdat aan de Staat een grote mate beleidsvrijheid toekomt. Dit staat dan ook terecht niet ter discussie. Wanneer sprake is van onjuiste keuzes gemaakt door de Staat en de Staat dus in redelijkheid niet voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen, dan is er plaats voor rechterlijk ingrijpen.

De bezwaren van de eisers in deze zaak richten zich op het door de Staat gemaakte onderscheid tussen landen binnen en buiten de EER, de totstandkoming van de reisadviezen voor landen buiten de EER, het gebruik van de term ‘hoogrisicogebied’ voor zowel gele als oranje gebieden en het feit dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen gevaccineerden en ongevaccineerden.

Vast staat dat er door de Staat onderscheid wordt gemaakt tussen landen binnen en buiten de EU. Voor landen binnen de EU wordt aangesloten bij onder meer de wekelijkse adviezen van het RIVM, die op zijn beurt de relevante gegevens van het European Centre for Disease Prevention and Control (hierna: ECDC) in zijn advisering betrekt. Voor landen buiten de EU heeft de Staat ervoor gekozen aan te sluiten bij de EU Veilige Landenlijst (hierna: EU VLL). De lijst omvat (derde) landen waarvan de COVID-19-situatie als veilig wordt beschouwd door de EU-lidstaten en van waaruit het veilig en verantwoord wordt geacht om de EU binnen te reizen. Verder maakt de Staat de keuze om bij een reisadvies rekening te houden met de samenwerking en gegevensuitwisseling binnen de EU en met het vrij verkeer van personen, wat overigens nog wel binnen de beleidsruimte van de Staat past. De vraag of de Staat er in redelijkheid niet voor heeft kunnen (en kan) kiezen om oranje reisadviezen voor (veel) landen buiten de EU te handhaven is hier dus aan de orde.

De rechter oordeelt dat de Staat niet kan worden verplicht om bij het geven van reisadviezen onderscheid te maken tussen gevaccineerde en ongevaccineerde reizigers. Verder oordeelt de rechter dat ondanks dat het beleid niet onrechtmatig is, de Staat andere keuzes had kunnen maken. De Staat heeft namelijk erkend dat hij voornemens was de reisadviezen voor de landen buiten de EU begin november 2021 te versoepelen. Dat de Staat in verband met de sterke toename van de besmettings- en opnamecijfers aan dit voornemen geen uitvoering heeft gegeven, is dan ook niet onbegrijpelijk.

Aan de hand van het hierboven genoemde kan worden vastgesteld dat de Staat op dit moment niet gehouden is om de reisadviezen voor landen buiten de EER conform de vorderingen van de Reisorganisaties aan te passen. De rechter wijst de vorderingen daarom af.