‘Mag ik blijven?’ – een reflectie op een initiatiefwetsvoorstel

Kamerleden Van Kuiken (PvdA) en Voortman (GroenLinks) maakten 19 september jl. kenbaar een initiatiefwetsvoorstel te hebben ingediend dat ertoe strekt dat bij het verlenen van een verblijfsvergunning het specifieke belang van het kind in kwestie wordt meegewogen.

Op de website van de PvdA lezen we het volgende:

‘Het wetsvoorstel zorgt er ook voor dat het Nederlandse beleid weer in lijn komt met Europese jurisprudentie en internationale kinderrechtenverdragen.‘

Dat is mooi en nobel. Echter, had onze wetgeving dan niet allang in overeenstemming moeten zijn met de verplichtingen die we ten opzichte van de gehele mensheid op ons hebben genomen bij het ratificeren van bijvoorbeeld het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind? Ik bedoel: we hebben dat verdrag in 1995 (overigens veel later dan de meeste lidstaten) ‘al’ geratificeerd: tijd genoeg om onze interne rechtsorde in overeenstemming te laten zijn met de meest basale rechten voor een erg kwetsbare doelgroep, zou je zeggen.

Technisch gezien kent Nederland een monistisch stelsel ten aanzien van de doorwerking van internationale normen in de nationale rechtsorde (zie de artikelen 93 en 94 van onze Grondwet). Dat wil dus zeggen dat indien de Nederlandse wetgever een internationaal verdrag ratificeert, de inhoud van dit verdrag automatisch onderdeel uitmaakt van de nationale rechtsorde. Theoretisch gezien dus ook kinderrechten. Er zit echter een grote ‘maar’ aan dit monistische systeem: het is niet volledig monistisch, maar ‘gekwalificeerd’ monistisch: alleen verdragsbepalingen die door haar inhoud concreet genoeg zijn om rechtstreeks te werken, hebben automatisch werking in de nationale rechtsorde. Voor alle andere bepalingen geldt dat de nationale wetgever eerst wetten moet aannemen om de verdragsbepaling te concretiseren.

Rechtstreekse werking?
Dit heeft in de praktijk als resultaat dat de wetgever bepaalt welke verdragsbepaling in aanmerking komt voor rechtstreekse werking van verdragsbepalingen. De wetgever doet dit doorgaans door in de memorie van toelichting bij de ratificatiewet van een verdrag aan te geven wat haar zienswijze is ten aanzien van deze rechtstreekse werking. Ingeval het aankomt op mensenrechtenverdragen is de wetgever daar – ongeacht de politieke smaak – eenduidig en helder in: mensenrechten die op de een of andere manier een inspanning van de overheid vergen (de zogeheten Economische, Sociale en Culturele rechten) zijn niet rechtstreeks werkend en een burger kan hier dan ook geen beroep op doen bij de rechter. In de context van vreemdelingenrecht zijn dit doorgaans de ‘bed, bad en brood’-rechten. In de praktijk neemt onze rechter deze zienswijze klakkeloos over.

Het is misschien goed om na te denken over onze intenties ten aanzien van het ratificeren van mensenrechtenverdragen. De mores van een dergelijk verdrag is dat mensen vanwege het feit dat het mensen zijn recht hebben op een menswaardig bestaan.

De Nederlandse attitude daarin is altijd erg gericht op het buitenland. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat het Nederlandse mensenrechtenbeleid onder het Ministerie van Buitenlandse Zaken valt. Als we de parlementaire geschiedenis bestuderen, blijkt dat sinds de jaren vijftig onze regering steevast alleen bereid is verdragsbepalingen te ratificeren waar we al aan voldoen (volgens eigen zeggen). Kritiek die wordt geuit in de diverse rapportageprocedures gekoppeld aan deze verdragen door de daartoe bevoegde commissies, wordt steevast in de wind geslagen of genegeerd. Dit leidt ertoe dat de toonzetting in deze procedures steeds grimmiger wordt.

Waarde van het verdrag
Specifiek ten aanzien van het Kinderrechtenverdrag merkte onze toenmalige Minister Kosto op dat de toegevoegde waarde van het verdrag onder meer gelegen zat in het volgende: ‘Voor onze inspanningen om toe te zien op de handhaving van de rechten van kinderen (…) hebben wij een ingang om andere landen aan te spreken’. Met andere woorden: wij hebben deze rechten niet nodig, maar we moeten vooral andere landen wijzen op hun tekortkomingen.

Wat me opvalt in het Nederlandse debat betreffende de rechtspositie van allochtonen, en met name hun kinderen, is dat we het vooral hebben over de gevolgen: men is bang voor negatieve invloeden uit het buitenland, islamisering en andere desastreuze zaken. Wat ik mis is het argument der menswaardigheid en de toepassing van mensenrechtenverdragen die we zijn overeengekomen omdat we allemaal heel erg geschrokken waren van twee Wereldoorlogen.

De geschiedenis leert ons dat eens in de zoveel jaar mensen uit een land moeten vluchten door wat voor reden dan ook. In Nederland gebeurde dat ook nog niet zo lang geleden. Laten we dus vooral het vak geschiedenis in leven houden en een doosje zelfreflectie openmaken.

———————————————

Mr. dr. Bart Wernaart is docent recht & ethiek aan de Fontys Hogeschool Eindhoven. Meer van zijn artikelen lees je hier.