Goede voornemens

Op het moment dat je iets niet mag doen, wordt het meteen aanlokkelijker. Ik heb nog nooit zo veel zin gehad om boodschappen te doen als toen ik tien dagen in quarantaine zat. Langzaam verwerden plekken waarin mensen zich verzamelden tot fata morgana’s in mijn gedachten. Dat was pas op dag twee.

Toen ik op dag drie alle honden- en haarverffilmpjes op TikTok had bekeken, ik nog niet had ontbeten om half een ’s middags en ik alle tips had gelezen over hoe je je kind door de ‘dit-lust-ik-niet’-fase kunt krijgen (mind you: ik heb niet eens een kind), besefte ik dat er toch echt iets moest veranderen. Waar ik in de eerste lockdownperiode de grootste hekel had aan de mensen die hun tijd thuis daadwerkelijk productief besteedden, gebruikte ik hen nu als voorbeeld. Ik ging fit worden, Latijn leren met Duolingo en een grote schoonmaak houden in mijn kamer.

Zo gezegd, zo gedaan. Op dag vier ging de wekker om zeven uur, want fitte mensen staan altijd vroeg op. De regen tikte zachtjes tegen het raam. Het was pikdonker. Op het moment dat ik mijn sportkleding had aangetrokken en ik mezelf in de spiegel bekeek, voelde ik me bijzonder superieur. Wie ging hier in de regen hardlopen? Ik. Wie worden er straks superjaloers op de summerbody die ik heb gekweekt terwijl de rest nog maanden bezig is met het kwijtraken van de coronakilo’s? Jullie.

Dit heerlijke gevoel verdween helaas snel toen ik daadwerkelijk buiten stond. Tikkende regen klinkt toch iets minder fijn op het moment dat je er middenin staat en ik realiseerde me meteen weer waarom ik anders nooit ’s ochtends ga sporten: ik heb een verschrikkelijk ochtendhumeur. Verstop je maar als ik nog geen koffie heb gehad, want niks blijft veilig.

Afijn. Ik stond buiten, ik had mijn hardloopschoenen aan en er was geen weg meer terug. De eerste minuut vond ik het verbazingwekkend genoeg nog leuk ook. Minuut twee. Een steek in mijn linkerzij kwam langzaam opzetten. Niet op letten, rennen. Mijn knie kraakte. Ik begon te hijgen. ‘Dit kan niet gezond zijn’, dacht ik bij mezelf. Met een hoofd als een tomaat ‘rende’ ik door de lege straat. Een man van middelbare leeftijd haalde me in.

Anderhalve dag lang stierf ik van de spierpijn. De dreigmails van de Duolingo-uil volgden elkaar in steeds hoger tempo op in mijn mailbox. Mijn kamer is op dit moment een nog grotere troep dan hiervoor. Gelukkig duurt het nog minimaal zes maanden tot ik weer in mijn bikini moet. Tot die tijd kun je me vinden in mijn joggingbroek op bed, met een tub Ben & Jerry’s.