De vrijheid om te schieten, te beledigen en te verbieden

‘The only thing that stops a bad guy with a gun is a good guy with a gun’ is een inmiddels befaamde quote van de Amerikaanse voorzitter van de National Rifle Association (Wayne LaPierre). Voorstanders van de vrije wapenverkoop in de VS ervaren dit als een principieel constitutioneel recht. Zo is het in sommige Staten toegestaan een pistool mee te nemen naar de collegezaal.

Tegenstanders hameren op de desastreuze gevolgen, zoals de vele ‘school-shootings’, en zijn voornemens de vrije verkoop aan banden te leggen. In deze column wil ik dit debat niet nog eens dunnetjes overdoen, maar wil ik het over het achterliggende ethische dilemma hebben: wat is nu eigenlijk vrijheid in deze context? De vrijheid om jezelf te verdedigen of de vrijheid in een land te leven waarin dat niet nodig is?

Twee opvattingen van vrijheid
Tijdens mijn studie rechten werd ik al gegrepen door een fantastisch essay, geschreven door Isaiah Berlin, waarin hij twee interpretaties van vrijheid geeft. De essay kun je overigens hier in zijn geheel lezen: doen! Hij maakt voornamelijk een onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid.

Als ik mijn studenten vraag wat in hun beleving vrijheid is, krijg ik meestal antwoorden in de trend van: “Ik wil kunnen zeggen en doen wat ik wil, zonder daarin geremd te worden.” Dat zou overeenkomen met Berlins negatieve vrijheid. Als ik ze vervolgens vraag of ze echt uit eigen beweging naar een college statistiek gaan, is het antwoord vaak ‘nee’, maar wordt opgemerkt dat het ongetwijfeld goed voor ze zal zijn op de lange termijn en dat hun docent statistiek dat het beste kan beoordelen. Deze zienswijzen komen meer overeen met Berlins idee van positieve vrijheid: de vrijheid om te leven in een wereld waarin je jezelf kunt ontwikkelen tot een verlicht mens. Hiervoor is soms wat invloed van buitenaf voor nodig, zoals een docent die zegt wat je moet studeren.

Obamacare
Ter illustratie kunnen we nog een mooi Amerikaans voorbeeld gebruiken: de Obamacare. De voor- en tegenstanders van dit fenomeen hebben eigenlijk een debat dat zich concentreert op negatieve dan wel positieve vrijheid. Enerzijds zijn er de Republikeinen die zich storen aan een betuttelende overheid en graag zelf willen bepalen of ze een zorgverzekering willen (negatieve vrijheid). Anderzijds stekken de Democraten dat het verplicht stellen van een zorgverzekering op de lange termijn leidt tot een betere samenleving waarin iedereen voorzien is van adequate medische hulp (positieve vrijheid).

Aleppo en Kim Jong-Un
Wat we vooral niet willen, is een samenleving waarin een al te radicale vorm van een van beide interpretaties van vrijheid wordt doorgevoerd. Zo hebben we de vreselijke situatie in Aleppo, een bestuurlijk niemandsland waarin complete anarchie en wetteloosheid heerst: doorgeslagen negatieve vrijheid waar de bewoners heel ongelukkig van worden. En aan de andere kant van dit spectrum zou je de leiderschapsstijl van Kim Jong-Un kunnen stellen: in de naam van de vrijheid van zijn volk weet hij als geen ander hoe ze zouden moeten leven en daar is zijn leiderschap dan ook op gebaseerd.

Een samenleving is gebaat bij een gezonde balans tussen negatieve en positieve vrijheid. Maar waar ligt deze balans precies? Dat zal verschillen per land en tijdgeest.

Charlie Hebdo en Wilders
De reden dat deze laatste vraag zo belangrijk is, is dat beide interpretaties van vrijheid vaak een sterk effect hebben op elkaar. Als de cartoonisten van Charlie Hebdo ongelimiteerd willen kunnen tekenen wat ze willen, en hiermee dus een beroep doen op hun vrijheid, heeft dit – zoals helaas gebleken – een effect op sommigen die zich door deze cartoons beledigd voelen. De gebroeders Kouachi, die zichzelf ‘the right to bear arms’ toe-eigenden, deden dit in naam van datzelfde woord: vrijheid.

En zo is het mogelijk dat een Partij die de naam Vrijheid in haar naam heeft enerzijds een onbeperkt recht op vrijheid van meningsuiting wil, zonder inmenging van wie dan ook, en tegelijkertijd datzelfde woord gebruikt wanneer ze een religieus boek willen verbieden.

Rest me niets dan te betogen het woord vrijheid voorzichtig te gebruiken en vooral niet te denken een monopolie te hebben op de betekenis ervan. Ikzelf pas in ieder geval een portie positieve vrijheid toe als ik mijn studenten met veel plezier verplicht de essay van Berlin te lezen.