ECLI:NL:GHDHA:2017:1814 (Echtscheiding en arbeidsovereenkomst)

Echtscheiding en arbeidsovereenkomst, Hof Den Haag, 4 juli 2017
ECLI:NL:GHDHA:2017:1814

Essentie

De arbeidsovereenkomst tussen het bedrijf van de ex-man en de vrouw is stilzwijgend beëindigd doordat de vrouw de gezamenlijke woning heeft verlaten.

Rechtsregel

Gelet op de verklaringen van de vrouw, de broer van de man, het diploma bedrijfshulpverlening en de salarisstroken, in onderling verband en samenhang bezien, is sprake van een arbeidsovereenkomst tussen de vrouw en het bedrijf. Gelet op de omstandigheden van het geval is deze arbeidsovereenkomst echter stilzwijgend beëindigd door de vrouw nadat zij uit de woning is vertrokken. Daartoe overweegt het Hof dat de vrouw haar werkzaamheden voor de DGA, de man, in het kantoor aan huis verrichtte en dat het niet goed voorstelbaar is dat zij kon doorgaan met deze werkzaamheden voor hem nadat de relatie was stukgelopen en zij de woning verlaten heeft. Uit het feit dat de vrouw later niet heeft aangeboden weer te komen werken, moet worden afgeleid dat ze dat niet wilde.

Inhoud arrest

De heer X en mevrouw Y zijn getrouwd en hebben twee kinderen. De vrouw is zwanger van het derde kind. De man is enig aandeelhouder en enig bestuurder van een bedrijf dat bouw- en sloopmachines verhuurt. Dit bedrijf heeft personeel in dienst, waaronder de vrouw. Het bedrijf is gevestigd op het adres van de man en de vrouw. De vrouw ontvangt maandelijks een bedrag van € 843,76 aan salaris van het bedrijf, voor 80 uur werk.

In januari 2012 verlaat de vrouw de woning. Vanaf dat moment heeft de BV het salaris van de vrouw niet meer betaald. Op 29 november 2012 spreekt de rechtbank Rotterdam de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw.

De vrouw vordert het bedrijf te veroordelen het achterstallige loon vanaf 1 maart 2012 en het vakantiegeld over de jaren 2012 en 2013, inclusief de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, te betalen. Verder vordert zij alle loonstroken over deze maanden aan haar toe te sturen. Het bedrijf vordert voor recht te verklaren dat met ingang van 1 januari 2012 de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd.

De kantonrechter oordeelt dat tussen de vrouw en het bedrijf geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan en wijst de vordering van de vrouw af. Aan de vordering van het bedrijf wordt daarom niet toegekomen. De vrouw gaat in hoger beroep. Het Hof bepaalt dat er wel een arbeidsovereenkomst bestond, maar dat deze door de vrouw stilzwijgend is beëindigd toen zij de woning heeft verlaten. De vordering van het bedrijf wordt daarom toegewezen: het Hof verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2012 is geëindigd. De loonvordering van de vrouw wordt afgewezen en het vakantiegeld wordt alleen uitbetaald over januari 2012. Ontbrekende loonstroken tot 1 februari 2012 dient het bedrijf alsnog toe te sturen aan de vrouw.

Reacties

reacties